Een zware, ondoorzichtige en verstikkende sfeer…

vertaling van Un’atmosfera pesante, opaca e soffocante
(2 maart 2021)

‘Er is een zware, ondoorzichtige en verstikkende sfeer over het land neergedaald, de mensen zijn ongelukkig en ontevreden en toch zijn ze bereid om alles te ondergaan zonder protest of verwondering.

Dit is de karakteristieke situatie in tijden van tirannie. De algemene onvrede, die oppervlakkige waarnemers beschouwen als iets wat de macht kwetsbaar maakt, betekent eigenlijk precies het tegenovergestelde. Een matte en wijdverbreide onvrede is verenigbaar met een bijna onbeperkte onderwerping, decennia lang; wanneer, zoals tegenwoordig het geval is, een gevoel van rampspoed samenvalt met de afwezigheid van hoop, gehoorzamen mensen totdat een tegenbeweging van buitenaf hun hoop herstelt.’ (1)

(Simone Weil, 1940)

‘Het gevoel van veiligheid wordt zwaar aangetast. Dat is op zich niet erg; er kan geen veiligheid voor de mens op deze aarde zijn, en het gevoel van veiligheid is, tot op zekere hoogte, een gevaarlijke illusie die alles misvormt, iets waardoor geesten bekrompen, kortzichtig, oppervlakkig en idioot tevreden worden; we hebben het genoeg gezien tijdens de periode van zogenaamde welvaart, en we zien het nog steeds, hoewel in steeds mindere mate, in sommige sociale lagen van de bevolking die denken dat ze onaantastbaar zijn. Maar een totaal gebrek aan veiligheid, vooral wanneer de te vrezen catastrofes niet in verhouding staan ​​tot dat wat intelligentie, inspanning en moed er tegenin kan brengen, is evenmin bevorderlijk voor de gezondheid van de ziel. We hebben gezien dat een economische crisis in de verschillende grote landen een hele jonge generatie elke hoop ontneemt om ooit toe te treden tot de samenleving, om genoeg te verdienen om van te leven en een gezin te voeden. Er is een grote kans dat we binnen afzienbare tijd een nieuwe generatie in eenzelfde impasse zien belanden. We zagen, en we zien, dat de huidige productiemiddelen ervoor zorgen dat je al oud bent, en dat is dan oud zonder financiële ondersteuning, op de leeftijd van veertig jaar, als je onderdeel uitmaakt van bepaalde sociale lagen van de bevolking. De angst voor oorlog, voor een oorlog die alles kapot zal maken, is niet langer alleen een onderwerp van lezingen of pamfletten in de hoop dat die tot algemene bezorgdheid zullen leiden, maar steeds meer een alledaags onderwerp nu het leven van de burger overal in staat van militaire paraatheid wordt gebracht. De moderne communicatiemiddelen, de pers, radio, bioscoop, zij zijn vandaag krachtig genoeg om de zenuwen van een heel volk door elkaar te schudden. Zeker: het leven slaat van zich af, terug als het kan vallen op het instinct, op iets onbewusts; toch bepaalt de angst voor grote collectieve catastrofes, als in afwachting van een vloedgolf of een aardbeving, steeds meer hoe iedereen zijn persoonlijke toekomst ervaart.’ (2)

(Simone Weil, 1939)

(1) Simone Weil – fragment uit een brief aan haar broer André Weil, geciteerd in: Simone Pétrement – ‘La vie de Simone Weil’ (Éditions Fayard, Paris, 1973), p.509
(2) Simone Weil – ‘Écrits historiques et politiques II’ (Éditions Gallimard, Paris, 1960), p.63

Oorlog en vrede

door Giorgio Agamben

vertaling van La guerra e la pace
(23 februari 2021)

We moeten de uitspraak, zoals die steeds herhaald wordt door regeringen, namelijk dat alle mensen en alle landen zich op dit moment in een staat van oorlog bevinden, serieus nemen. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke uitspraak dient om de uitzonderingstoestand te rechtvaardigen met zijn drastische beperkingen van bewegingsvrijheid en zijn absurde begrippen als ‘avondklok’, die anders moeilijk te verantwoorden zouden zijn. Toch is de relatie tussen de overheid en oorlog meer intiem en substantieel dan het lijkt: oorlog is iets waar overheden op geen enkele manier permanent zonder kunnen. In zijn roman stelt Tolstoj de vrede, die mensen als de werkelijkheid bij uitstek ervaren, en waarin ze in zekere mate vrij uiting geven aan hun verlangens, hun gevoelens en hun gedachten, tegenover de abstractie en leugenachtigheid van de oorlog, waarin alles het gevolg lijkt te zijn van een onverbiddelijke noodzaak. En in zijn fresco in het ‘Palazzo Publico’ in Siena, presenteert Lorenzetti een vredige stad waarvan de inwoners zich, al werkend en plezier makend, vrij bewegen, terwijl meisjes op de voorgrond hand in hand dansen. Hoewel het fresco van oudsher de titel ‘Goed bestuur’ heeft meegekregen, is een dergelijke toestand, verbonden met kleine dagelijkse gebeurtenissen van het gemeenschappelijke leven en alledaagse verlangens, op de lange termijn in feite onbestuurbaar. Ook al kan zo’n toestand onderworpen zijn aan allerlei soorten beperkingen en controles, toch heeft die van nature de neiging om te ontsnappen aan berekeningen, schema’s en regels – of, althans, dat is waar de macht heimelijk voor vreest. Dit kan ook worden uitgedrukt door te zeggen dat de geschiedenis, zonder welke de macht uiteindelijk ondenkbaar is, sterk verbonden is met oorlog, terwijl het leven in vrede per definitie zonder geschiedenis is. In haar roman ‘La Storia’, waarin het verhaal van een paar eenvoudige mensen wordt geplaatst tegen de achtergrond van de oorlogen en catastrofale gebeurtenissen die de algemene gebeurtenissen van de twintigste eeuw markeren, had Elsa Morante zoiets in gedachten.

Daarom moeten de wereldmachten vroeg of laat hun toevlucht nemen tot een oorlog, of deze nu echt is of zorgvuldig gesimuleerd. En aangezien in een staat van vrede het leven van mensen aan iedere historische dimensie lijkt te ontsnappen, is het niet verwonderlijk dat regeringen tegenwoordig maar blijven herhalen dat de oorlog tegen het virus het begin markeert van een nieuw historisch tijdperk waarin niets meer zal zijn zoals het was. En velen, waaronder degenen die hun ogen bedekken om te voorkomen dat ze zien dat ze in een situatie terecht zijn gekomen waarin ze niet vrij zijn, aanvaarden dit juist omdat ze ervan overtuigd zijn dat ze, zonder ook maar een beetje trots – na bijna zeventig jaar vreedzaam leven, dat wil zeggen zonder geschiedenis – in een nieuw tijdperk zijn aangeland.

Zelfs als dit overduidelijk een tijdperk van dienstbaarheid en opoffering blijkt te zijn, waarin alles wat het leven de moeite waard maakt te worden geleefd, te lijden zal hebben onder onthoudingen en beperkingen, onderwerpen ze zich er maar al te graag aan, omdat ze domweg geloven dat ze op deze manier de zin van hun leven, die ze kwijt waren geraakt in tijden van vrede, terug kunnen vinden.

Het is echter mogelijk dat de oorlog tegen het virus, die een ideale constructie leek te bieden, aangezien regeringen deze, al naar gelang hun behoeften, veel makkelijker kunnen inzetten en sturen dan een echte oorlog, uiteindelijk, zoals elke oorlog, uit de hand gaat lopen. En misschien zullen de mensen op dat moment, als het niet al te laat is, opnieuw die onbestuurbare vrede zoeken die ze zo achteloos hadden opgegeven.

23 februari 2021
Giorgio Agamben

Willekeur en noodzaak

door Giorgio Agamben

vertaling van L’arbitrio e la necessità
(12 februari 2021)

De vraag of regeringen de pandemie bewust gebruiken om een ​​uitzonderingstoestand af te kondigen die hun macht grenzeloos vergroot, of dat ze geen andere keus hebben dan de noodtoestand, is misplaatst. Wat er vandaag de dag gebeurt, zoals bij elke beslissende historische crisis, is dat deze twee opties allebei waar zijn: het gebruik van de uitzonderingstoestand als strategie én de onmogelijkheid om anders te regeren vallen samen. Hoewel de soeverein op een absoluut willekeurige manier handelt, is hij tegelijkertijd genoodzaakt onophoudelijk te beslissen over de uitzonderingstoestand die uiteindelijk zijn eigen status bepaalt. Het tijdperk waarin we leven plaatst derhalve de onrechtmatigheid van de wereldmachten vol in het licht: aangezien zij niet meer in staat zijn zich binnen een bestaande symbolische rechtsorde te manifesteren, zijn ze genoodzaakt de wet en de grondwettelijke beginselen die die rechtsorde funderen, op te schorten. De uitzonderingstoestand wordt in die zin de normale toestand en wie regeert kan op geen enkele andere manier regeren. Het is misschien mogelijk dat de uitzonderingstoestand formeel wordt opgeheven: maar een regering van nationale redding zoals die nu tot stand komt*, waarin alle oppositie staakt, is de volmaakte voortzetting van de uitzonderingstoestand. Onze diagnose, dat het tijdperk van de burgerlijke democratieën definitief ten einde komt, wordt in ieder geval bevestigd. We zullen zien hoe lang het nog duurt, voordat de opschorting van de politiek en de noodtoestand als bestuursmodel, zich op iets anders gaan baseren dan medische terreur.

12 februari 2021
Giorgio Agamben

* Agamben doelt hier op de regering onder leiding van Mario Draghi, die op 13 februari 2021 in Italë werd geïnstalleerd. Het betreft een soort nationaal kabinet waarin sleutelposities door technocraten worden bezet en politieke leiders geen zitting hebben. (noot van de vertaler)

Wat is de kleur van de nacht?

door Giorgio Agamben

vertaling van Di che colore è la notte?
(25 januari 2021)

Het overheidsbeleid dat ons leven kleurt, streeft naar 50 gevallen per 100.000 inwoners per week.* Statistisch gezien is dit een extreem laag risicopercentage, gelijk aan 0,05 procent. Hoe is het mogelijk dat mensen voor zo’n laag risico, ook als je het voor het hele jaar doorrekent, bereid zijn hun vrijheid op te geven, maar ook alles wat het leven de moeite waard maakt: contact met andere mensen, de aanblik van andere gezichten, herinneringen en feestdagen die samen vreugdevol werden gevierd? Wachter, wat is de kleur van de nacht?

25 januari 2021
Giorgio Agamben

* Agamben refereert hiermee aan het overheidsbesluit van 11 januari 2021 om Italië op te delen in regio’s, gemarkeerd door de kleuren wit, geel, oranje en rood, afhankelijk van het aantal besmettingen. Om een regio als ‘wit’ te markeren, moeten er minder dan 50 besmettingen per 100.000 inwoners worden geregistreerd per week. (noot van de vertaler)

Een voorspelling van Lichtenberg

vertaling van Una profezia di Lichtenberg
(20 januari 2021)

‘Onze wereld zal zo verfijnd worden, dat het net zo lachwekkend wordt om in God te geloven, als vandaag de dag in spoken. (1) Daarna, na een tijdje, zal de wereld nog weer verfijnder worden. En dat gaat in hoog tempo zo door tot de hoogste hoogte van verfijning is bereikt. Eenmaal op de top, zal het oordeel van de wijzen tenslotte kantelen, en zal definitief het inzicht omslaan. Dan – en dat zal het einde zijn – dan zullen we alleen nog maar in spoken geloven.’ (2)

20 januari 2021

(1) Georg Christoph Lichtenberg – Sudelbuch D (1773-1775, fragment D326)
(2) Friedrich Heinrich Jacobi – Über eine Weissagung Lichtenberg’s (Von den göttlichen Dingen und ihrer Offenbarung, Leipzig 1811)

De eerste zin uit de voorspelling is afkomstig van Lichtenberg, de verdere tekst is een aanvulling van Jacobi. Waar in het Duits ‘fein’ staat (hier vertaald als ‘verfijnd’) gebruikt Agamben het Italiaanse ‘civile’ wat eerder iets betekent als ‘beschaafd’. Opmerkelijk is verder dat Agamben een groot deel van de aanvulling van Jacobi verzwijgt. De voorspelling gaat namelijk verder: ‘Wij zullen zelf god zijn; wij zullen begrijpen dat als zijn wezen overal is, hij alleen maar een spook kan zijn. Rond die tijd wordt het zure zweet van de ernst van ieder voorhoofd weggeveegd, gelijk de tranen van verlangen uit ieder oog; de mensen zullen alleen nog maar hard lachen, want dan heeft het verstand zijn werk voltooid; de mensheid heeft haar doel bereikt; eenzelfde kroon prijkt op ieder verheerlijkt hoofd.’ Een gedetailleerd artikel (in het Engels), geschreven door Philippe Theophanidis, is hier te lezen. (noot van de vertaler)

Filosofie van het contact

door Giorgio Agamben

vertaling van Filosofia del contatto
(5 januari 2021)

Twee lichamen maken contact als ze elkaar aanraken. Maar wat betekent elkaar aanraken? Wat is contact? Giorgio Colli gaf hiervan een scherpe definitie door te stellen dat twee punten contact met elkaar maken ​​wanneer ze door niets representatiefs gescheiden worden. Contact is niet gelijk aan een contactpunt, dat op zichzelf niet kan bestaan, aangezien elke eenheid steeds weer kan worden opgedeeld. Van twee entiteiten wordt gezegd dat ze in contact zijn als er in het midden tussen hen niets bestaat, als ze dus als het ware onmiddellijk zijn. Als er een relatie in de representatie bestaat tussen twee dingen (bijvoorbeeld: subject-object; echtgenoot-echtgenote; meester-dienaar; afstand-nabijheid), zal men niet zeggen dat ze in contact zijn: alleen als elke representatie mank gaat, als er tussen twee dingen werkelijk niets is, alleen dan kan men zeggen dat ze contact hebben. Dit kan ook worden uitgedrukt door te zeggen dat contact niet representatief is, dat het niet mogelijk is om de relatie in kwestie te representeren – of, zoals Colli schrijft, dat ‘contact de indicatie is van de afwezigheid van representatie, van een metafysische hiaat’. *

Het probleem met deze definitie is dat, aangezien deze zijn toevlucht moet nemen tot puur negatieve uitdrukkingen (zoals ‘niets’ en ‘niet representeerbaar’) het geheel in mystiek dreigt te verzanden. Colli geeft zelf aan dat contact slechts bij benadering kan worden benoemd, dat de representatie nooit volledig kan worden geëlimineerd. Op het gevaar af in abstracties te vervallen, lijkt het daarom nuttig om naar de oorsprong terug te keren en onszelf opnieuw af te vragen wat het betekent om ‘aan te raken’ – dat wil zeggen, te bezien wat aanraking is, dat wat verbonden is met het meest nederige en aardse zintuig.

De specifieke aard van aanraking, dat wat de tastzin onderscheidt van de andere zintuigen, was ook voor Aristoteles onderwerp van discussie. Voor elk zintuig is er een middel of medium (metaxie), dat een bepalende functie vervult: voor het zien is het medium het doorschijnende, dat, verlicht door kleur, inwerkt op de ogen; voor het horen is het de lucht die, bewogen door een klinkend lichaam, het oor treft. De tastzin onderscheidt zich van de andere zintuigen omdat we bij een aanraking ‘niet de uitwerking die het medium op ons heeft waarnemen, maar het medium zelf in een gezamenlijke beleving (ama)’. Dit medium, dat niet buiten ons, maar binnen in ons is, is het vlees (sarx). Dit betekent dat niet alleen het externe object wordt aangeraakt, maar ook het vlees dat erdoor wordt geroerd of ontroerd – dat we, met andere woorden, in het contact onszelf aanraken, dat we geraakt worden door onze eigen ontvankelijkheid. Terwijl we bij het kijken, onze ogen zelf niet kunnen zien, en we bij het horen ons vermogen om te horen niet waarnemen, raken we, door de tastzin, aan ons eigen vermogen om aan te raken en aangeraakt te worden. Contact met een ander lichaam is dus bovenal contact met onszelf. De tastzin, die inferieur lijkt aan de andere zintuigen, is dan op een bepaalde manier het meest prominent, omdat daarin zoiets als een subject tot stand komt, dat wat bij het zien en bij de andere zintuigen op een of andere manier abstract wordt verondersteld. We hebben voor het eerst een ervaring van onszelf, wanneer we, door een ander lichaam aan te raken, onmiddelijk ook ons eigen vlees aanraken.

Als we, zoals we vandaag pervers proberen te doen, elk contact afschaffen, als we alles en iedereen op afstand houden, dan verliezen we niet alleen de ervaring van andere lichamen, maar vooral ook de onmiddellijke ervaring van onszelf, dan verliezen we eenvoudigweg ons eigen vlees.

5 januari 2021
Giorgio Agamben

* Giorgio Colli – ‘Filosofia dell’espressione’ (Biblioteca Adelphi 26, 1969). Giorgio Colli (1917-1979) was een Italiaanse filosoof en historicus

Gaia en Ctonia

door Giorgio Agamben

vertaling van Gaia e Ctonia
(28 december 2020)

I.

In het oud Grieks heeft de aarde twee namen, die overeenkomen met twee verschillende, zo niet tegengestelde werelden: ‘ge’ (of ‘gaia’) en ‘chthon’. In tegenstelling tot een tegenwoordig wijdverbreide theorie woont de mens niet alleen in ‘gaia’, maar heeft hij allereerst te maken met ‘chthon’, een wereld die in sommige mythische verhalen de vorm aanneemt van een godin, die ‘Chthonìe’ of Ctonia wordt genoemd. Zo zijn er volgens de theologie van Pherecydes van Syros oorspronkelijk drie godheden: Zeus, Chronos en Chtonìe waar hij aan toevoegt dat ‘Chtonìe de naam Ge kreeg, nadat Zeus haar de aarde (‘gen’) gaf’. Ook al wordt de identiteit van de godin niet nader bepaald, Ge is zo een bijkomend personage, niet meer dan een andere naam voor Chtonìe. Minstens zo belangrijk is dat bij Homerus de mens wordt gedefinieerd door het adjectief ‘epichtonioi’ (chtonisch, zich op ‘chthon’ bevindend), terwijl het adjectief ‘epigaios’ of ‘epigeios’ specifiek verwijst naar planten en dieren.

Waar het om gaat is dat ‘chthon’ en ‘ge’ twee aspecten van de aarde benoemen die als het ware geologisch tegengesteld zijn: ‘chthon’ is de bovenkant van de onderwereld, de aarde van boven naar beneden beschouwd, ‘ge’ is de aarde van beneden naar boven bekeken, de kant van de aarde die zich richt op de hemel. Dit stratigrafische onderscheid komt overeen met een verschil in praktijk en functie: ‘chthon’ kan niet worden gecultiveerd of vruchtbaar worden gemaakt, het onttrekt zich aan de tegenstelling stad/platteland en is niet iets wat men zich kan toe-eigenen; ‘ge’ daarentegen, zoals de naam bij Homerus benadrukt, ‘voedt alles wat op chthon is’ (‘epi chthoni’) en produceert alles wat groeit en bloeit waarmee de mensen zich verrijken: voor degenen die ‘ge’ met al zijn goedheid eert, ‘zijn de door boeren getrokken voren, die leven geven, overladen met fruit, gedijt het vee in de velden en is het huis gevuld met rijkdom en worden de steden, bevolkt door mooie vrouwen, aan de hand van rechtvaardige wetten bestuurd’.

De theogonie van Pherecydes bevat het vroegste bewijs van een relatie tussen Ge en Chthon, tussen Gaia en Ctonìa. Een fragment dat ons is overgeleverd door Clemens van Alexandrië, specificeert deze band door te vermelden dat Zeus getrouwd is met Chthonìe, en dat, zoals gebruikelijk bij de huwelijksritus van de ‘anakalypteria’ – als de bruid haar sluier afdoet en naakt voor de bruidegom verschijnt – Zeus haar met ‘een grote en mooie mantel’ bedekt, waarin ‘Ge en Ogeno (Oceaan) met verschillende kleuren zijn geborduurd’. Chthon, de onderwereld, is dan ook iets afschrikwekkends, iets wat zich niet naakt kan tonen en het gewaad waarmee Zeus haar omkleedt, is niemand minder dan Gaia, de bovenwereld. Een passage uit ‘Grot der Nymfen’ van Porphyry vertelt ons dat Pherecydes de chtonische dimensie karakteriseerde als een diepte, ‘sprekend over inhammen (‘mychous’), greppels (‘bothrous’) en grotten (‘antra’)’, opgevat als deuren (‘thyras’, ‘pylas’) waar zielen doorheen gaan bij de geboorte en de dood. De aarde is een dubbele realiteit: Ctonìa is de vormloze en verborgen bodem die Gaia bedekt met haar bonte borduurwerk van heuvels, bloemrijke landschappen, dorpen, bossen en kuddes.

Zelfs in de theogonie van Hesiodus heeft de aarde twee gezichten. Gaia, ‘het fundament van alle dingen’, is het eerste wezen van Chaos, maar het chtonische element wordt onmiddellijk daarna opgeroepen en, zoals bij Pherecydes, gedefinieerd met de term ‘mychos’: ‘de donkere Tartarus met brede inhammen diep in de aarde (‘mychoi chthonos eyryodeies’)’. Waar het stratigrafische verschil tussen de twee aspecten van de aarde het duidelijkst naar voren komt, is in de Homerische Hymne aan Demeter. Al in het begin, wanneer de dichter de scène beschrijft van de ontvoering van Persephone tijdens het plukken van bloemen, wordt Gaia tweemaal opgeroepen, in beide gevallen als een bloemrijk oppervlak waarmee de aarde zich tot de hemel keert: ‘de rozen, de krokussen, de schitterende viooltjes in een tere weide en de irissen, hyacinten en narcissen, ontsproten als verlokking voor het bloemenmeisje door Gaia’… ‘en de aarde lachte stralend terug’. Maar het is op dat moment dat ‘chthon, vol uitgestrekte paden, zich opent (‘chane’) in de vlakte van Nysa en dat de heer van de vele gasten naar buiten komt (‘orousen’) rijdend op zijn kar getrokken door onsterfelijke paarden’. Dat het een beweging is van de diepte naar het oppervlak wordt onderstreept door het werkwoord ‘ornymi’, wat ‘opkomen, opstijgen’ betekent, alsof de god uit de chtonische diepte van de aarde tevoorschijn komt in Gaia, het oppervlak van de aarde dat naar de hemel kijkt. Later, wanneer het Persephone is die Demeter over haar ontvoering vertelt, wordt de beweging omgekeerd en in plaats daarvan gaat gaia (‘gaia d’enerthe koresen’) open, zodat ‘de heer die veel gasten ontvangt’ haar met zijn gouden wagen naar de diepte kan slepen (vs. 429-31). Het is alsof de aarde twee deuren of ingangen heeft: een die zich opent vanuit de diepten naar Gea, en een die van Gea naar de diepte van Chtonia leidt.

In werkelijkheid gaat het niet om twee deuren, maar om één deur, die geheel aan ‘chthon’ toebehoort. Het werkwoord dat in de hymne naar Gaia verwijst, is niet ‘chaino’, ‘wijd openen’, maar ‘choreo’, wat simpelweg ‘ruimte maken’ betekent. Gaia gaat niet open, maar maakt plaats om Persephone doorgang te verlenen; het hele idee van een poort tussen de bovenkant en de onderkant, van een diepte (‘profundus: altus et fundus’) is specifiek chtonisch en, zoals Aeneas door de Sibyl wordt herinnerd, is de deur van de stad Dis allereerst een doorgang naar de onderwereld (‘facilis descensus Averno…’). De Latijnse term die overeenkomt met ‘chthon’ is niet ‘tellus’, wat een horizontale verlenging aanduidt, maar ‘humus’, wat een neerwaartse richting impliceert (vergelijk ‘humare’: begraven), en het is veelbetekenend dat de naam voor de mens hieraan ontleend is (‘hominem appellari quia sit humo natus’). Dat de mens ‘mens’ is, dat wil zeggen aards, impliceert in de klassieke wereld niet een verband met Gaia, met het aardoppervlak dat naar de hemel kijkt, maar vooral een directe verbinding met de chtonische diepte.

Dat ‘chthon’ het idee van een opening en een passage oproept, blijkt duidelijk uit het bijvoeglijk naamwoord dat deze term in Homerus en Hesiodus voortdurend begeleidt: ‘eyryodeia’, dat alleen vertaald kan worden als ‘met brede wegen’ mits niet vergeten wordt dat ‘odos’ het idee impliceert van een doorvoer naar een bestemming, in dit geval de wereld van de doden, een reis die iedereen zal maken (het is mogelijk dat Vergilius, die ‘facilis descensus’ schreef, zich de Homerische formule herinnerde).

In Rome verbond een cirkelvormige opening, genaamd ‘mundus’, die volgens de legende door Romulus werd gegraven toen de stad werd gesticht, de wereld van de levenden met de chtonische wereld van de doden. De opening, afgesloten door een steen genaamd ‘manalis lapis’, werd drie keer per jaar geopend, en gedurende die dagen, waarin werd gezegd dat ‘mundus patet’, de wereld zich opende en ‘de occulte en verborgen dingen van de religie met de hand aan het licht werden gebracht en onthuld’, werden bijna alle openbare activiteiten opgeschort. In een voorbeeldig artikel toont Vendryes aan dat de oorspronkelijke betekenis van onze term ‘wereld’ niet, zoals altijd werd beweerd, een vertaling is van de Griekse ‘kosmos’, maar nu juist voortkomt uit een cirkelvormige deur die toegang verschaft tot de ‘wereld’ van de doden. De oude stad is gebouwd op de ‘wereld’ omdat de mens verblijft in een doorgang die de hemelse en ondergrondse aarde, de wereld van de levenden en die van de doden, het heden en het verleden, verenigt, en het is door de relatie tussen deze twee werelden dat het voor de mens mogelijk wordt om zijn handelen te sturen en inspiratie op te doen voor de toekomst.

Niet alleen door zijn benaming is de mens verbonden met de chtonische sfeer, maar ook doordat zijn wereld en de horizon van zijn bestaan ​​grenst aan de uithoeken van Ctonia. De mens is, in de letterlijke zin van het woord, een wezen van de diepte.

II.

Een chtonische cultuur bij uitstek is de Etruskische cultuur. Degene die door de verspreide dodensteden op het platteland van Tuscia loopt, merkt onmiddellijk dat de Etrusken Ctonia bewoonden en niet Gaia, niet alleen omdat voor hen alles wat te maken had met de doden steeds aanwezig was, maar ook en vooral omdat de locaties die ze kozen als verblijfplaats – om ze steden te noemen is misschien ongepast – zich duidelijk aan de oppervlakte van Gaia bevinden, en in werkelijkheid ‘epichthonioi’ zijn: huizen in de verticale diepten van ‘chthon’. Vandaar hun voorliefde voor grotten en inhammen die in steen zijn uitgehouwen, vandaar hun voorkeur voor hoge kloven en ravijnen, de steile wanden die in een rivier of een beek uitlopen. Iedereen die onverwacht bij Cava Buia bij Blera of in de straten ingebed in de rots bij San Giuliano is geweest, weet dat hij niet langer op het oppervlak van Gaia is, maar zeker ‘ad portam inferi’, in een van de doorgangen naar de hellingen van Ctonia.

Dit onmiskenbaar onderaardse karakter van Etruskische plaatsen, in vergelijking met andere districten van Italië, kan ook worden benoemd door te zeggen dat wat we zien niet echt een landschap is. Het vriendelijke, alledaagse landschap dat het oog kan bevatten en dat begrensd wordt door de horizon, is dat van Gaia: in de chtonische verticaliteit verdwijnt elk landschap, lost de horizon op, en maakt het plaats voor het brute en nooit geziene gezicht van de natuur. En hier, in de weerbarstige kanalen en spelonken, weten we niet wat we met het landschap aanmoeten, het land is vasthoudender en onbuigzamer dan een enorme landschappelijke pietà – bij de deur van Dis is god zo dichtbij en monstrueus dat er geen religie meer nodig is.

Het is vanwege deze onwankelbare chtonische toewijding dat de Etrusken met zoveel ijver de huizen van hun doden bouwden en bewaakten en niet, zoals men zou denken, andersom. Ze hielden niet meer van de dood dan van het leven, maar het leven was voor hen niet te scheiden van de diepten van Ctonia: ze konden de valleien van Gaia bewonen en het platteland cultiveren, maar slechts wanneer ze nooit hun ware, verticale herkomst zouden vergeten. Om deze reden hebben we in de graven die uitgehouwen zijn in de rotsen en in de heuvels niet alleen te maken met de doden, we stellen ons niet alleen de lichamen voor die op de lege sarcofagen liggen, maar we nemen de bewegingen, gebaren en verlangens waar van de levenden die ze hebben gebouwd. Dat het leven des te beminnelijker is, des te tederder is, door de herinnering aan Ctonia te koesteren, dat het mogelijk is een beschaving op te bouwen zonder ooit de sfeer van de doden uit te sluiten, dat er tussen het heden en het verleden en tussen de levenden en de doden een intense gemeenschap en ononderbroken continuïteit bestaat – dat is de erfenis die dit volk aan de mensheid heeft doorgegeven.

III.

In 1979 publiceerde James E. Lovelock, een Engelse chemicus die een actieve rol had vervuld in NASA-programma’s voor ruimteverkenning, ‘Gaia: a New Look at Life on Earth’. Centraal in het boek staat de hypothese, die hij vijf jaar eerder in een artikel samen met Lynn Margulis had geformuleerd in het tijdschrift ‘Tellus’, en die als volgt luidt: ‘het totaal aan levende organismen waaruit de biosfeer bestaat, kan als een enkele entiteit fungeren om de chemische samenstelling, de oppervlakkige pH en misschien ook het klimaat, te reguleren. We noemen deze Gaia-hypothese de conceptie van de biosfeer als een actief systeem van controle en aanpassing, dat in staat is de aarde in evenwicht te houden’. De keuze voor de term Gaia, die werd aangedragen door William Golding – een schrijver die meesterlijk de perverse aard van de mensheid had beschreven in de roman ‘Lord of the Flies’ – is zeker niet toevallig: zoals het artikel aangeeft, erkennen de auteurs de grenzen van het atmosferische leven en waren ze ‘slechts in beperkte mate geïnteresseerd in de wisselwerking met elementen in het binnenste van de aarde, niet onderhevig aan de invloed van oppervlakteprocessen’ (p. 4). Niet minder belangrijk is echter het feit dat de auteurs – althans op dat moment – niet lijken te overwegen dat de verwoesting en vervuiling van Gaia hun maximale niveau bereikten net toen de bewoners van Gaia besloten om de energie, die nodig is voor hun nieuwe en groeiende behoeften, aan de diepten van Chtonia te onttrekken, in de vorm van een fossiel residu van miljoenen levende wezens in het verre verleden dat we olie noemen.

Het moge duidelijk zijn dat de grenzen van de biosfeer niet dezelfde zijn als die van het aardoppervlak en de atmosfeer: de biosfeer kan niet bestaan ​​zonder de uitwisseling en ‘interferentie’ met de chtonische thanatosfeer. Gaia en Chtonia: de levenden en de doden moeten in een adem worden genoemd.

Wat er in de moderniteit is gebeurd, is dat de mens zijn relatie met de chtonische sfeer is vergeten en heeft opgegeven; hij woont niet langer in Chthon, maar alleen nog maar in Gaia. Maar hoe meer de sfeer van de dood uit het leven wordt verbannen, hoe meer het bestaan ​​onleefbaar wordt; hoe meer alle vertrouwdheid met de diepten van Chtonia is verdwenen – wanneer alles tot een object van uitbuiting wordt gereduceerd – hoe meer het beminnelijke oppervlak van Gaia geleidelijk wordt vergiftigd en vernietigd. Wat we vandaag zien, is het extreme gevolg van deze verwijdering van de dood: om het leven te redden van een vermeende, vage dreiging, doet de mens afstand van alles wat het de moeite waard maakt te leven. En uiteindelijk is Gaia, de aarde zonder diepte, die alle herinnering aan de ondergrondse verblijfplaats van de doden heeft verloren, nu volledig overgeleverd aan angst en dood. Van deze angst kunnen alleen degenen genezen, die de herinnering aan hun dubbele herkomst hervinden, degenen die zich herinneren dat het leven slechts humaan is als Gaia en Ctonia onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn.

28 december 2020
Giorgio Agamben

Communistisch kapitalisme

door Giorgio Agamben

vertaling van Capitalismo comunista
(15 december 2020)

Het kapitalisme dat zich momenteel in de hele wereld consolideert, is niet het kapitalisme zoals zich dat in het Westen manifesteerde: het is eerder kapitalisme in een communistische variant, welke een extreem snelle ontwikkeling van productie combineerde met een totalitair politiek regime. Dit is de historische betekenis van de leidende rol die China speelt, niet alleen in een strikt economische zin, maar ook, zoals het politieke gebruik van de pandemie overduidelijk heeft laten zien, als een model om mensen te besturen. Dat de regimes die in de zogenaamde communistische landen aan de macht waren een bepaalde vorm van kapitalisme incorporeerden – een kapitalisme vooral geschikt voor economisch achtergebleven landen en om die reden geclassificeerd als staatskapitalisme – was meer dan bekend bij een ieder die zich in de geschiedenis verdiepte. Het was echter nogal onverwacht dat deze vorm van kapitalisme, waarvan de rol leek te zijn uitgespeeld, en die om die reden niet meer van deze tijd was, voorbestemd bleek te zijn om in een technologisch geactualiseerde constellatie, het dominante principe te worden in de huidige fase van het geglobaliseerde kapitalisme. Het is in feite mogelijk dat we vandaag getuige zijn van een strijd tussen het westerse kapitalisme (dat gelijktijdig naast de rechtsstaat en de burgerlijke democratieën bestond) en het nieuwe communistische kapitalisme, uit welke de laatste als overwinnaar tevoorschijn lijkt te komen. Wat echter zeker is, is dat het nieuwe regime het meest onmenselijke aspect van het kapitalisme zal verenigen met het meest afschuwelijke aspect van het staatscommunisme, door een extreme vervreemding tussen mensen te combineren met een ongekende sociale controle.

15 december 2020
Giorgio Agamben

Over de tijd die komen gaat

door Giorgio Agamben

vertaling van Sul tempo que viene
(23 november 2020)

Wat zich op dit moment mondiaal voltrekt, duidt wel degelijk op het einde van een wereld. Maar niet in de zin van een overgang naar een wereld die beter past bij de nieuwe behoeften van de menselijke onderneming – zoals wanneer mensen hun eigen belangen proberen te behartigen. Het tijdperk van de burgerlijke democratieën, inclusief zijn rechten, grondwetten en parlementen, is voorbij; maar afgezien van dit juridische aspect, is het zeker ook zo, dat er een wereld eindigt die begon met de industriële revolutie en uitmondde in twee of drie wereldoorlogen, en in de totalitaire regimes die daarmee gepaard gingen – zowel dictatoriaal als democratisch.

Als de machten die de wereld regeren het gevoel hadden dat ze hun toevlucht moesten nemen tot zulke extreme maatregelen en instrumenten als bioveiligheid en medische terreur, als ze die overal en zonder voorbehoud inzetten, dan is dat, zoals duidelijk moge zijn, omdat ze geen andere keuze hadden om te overleven, hoezeer dat nu ook uit de hand dreigt te lopen. En als mensen de autoritaire maatregelen en ongekende beperkingen waaraan ze zijn onderworpen zonder enige reserve hebben aanvaard, is dat niet alleen vanwege de angst voor de pandemie, maar vermoedelijk ook omdat ze min of meer onbewust wisten dat de wereld waarin ze tot dan hadden geleefd zo niet verder kon, omdat die te oneerlijk en onmenselijk was. Het is duidelijk dat regeringen een nog onmenselijker, nog onrechtvaardiger wereld voorbereiden; maar in elk geval was aan beide zijden op de een of andere manier duidelijk dat de vroegere wereld – zoals die nu zal gaan heten – zo niet verder kon. Hierin zit zeker, zoals in elk donker vermoeden, een religieus element. Gezondheid heeft de verlossing vervangen, biologisch leven heeft de plaats ingenomen van het eeuwige leven, en de Kerk, die er al lang aan gewend is zich te voegen naar wereldse behoeften, heeft min of meer expliciet ingestemd met deze wisselingen van de wacht.

We betreuren niet dat deze wereld eindigt, we hebben geen heimwee naar het idee van het menselijke en het goddelijke welke door de meedogenloze golven van de tijd zijn uitgewist, gelijk een gezicht getekend in het zand op het strand van de geschiedenis.* Maar met dezelfde vastberadenheid verwerpen we het naakte leven, monddood en zonder gezicht, en de religie van gezondheid die regeringen propageren. We verwachten geen nieuwe god en ook geen nieuwe mens – we zoeken liever in het hier en nu, tussen de brokstukken die ons omringen, naar een nederige, eenvoudigere vorm van leven, die geen waanvoorstelling is, omdat we ons die herinneren en hebben ervaren, ondanks dat kwade machten die elke keer weer uit ons geheugen proberen te wissen.

23 november 2020
Giorgio Agamben

* Agamben refereert hier aan een passage uit ‘Les mots et les choses’ van Michel Foucault: ‘[…] alors on peut bien parier que l’homme s’effacerait, comme à la limite de la mer un visage de sable.’ Michel Foucault, Les Mots et les choses, (Gallimard, 1966) p.398

De liefde is afgeschaft

door Giorgio Agamben

vertaling van Si è abolito l’amore
(6 november 2020)

De liefde is afgeschaft
in naam van de gezondheid
dan wordt de gezondheid afgeschaft.

De vrijheid is afgeschaft
in naam van de geneeskunde
dan wordt de geneeskunde afgeschaft.

God is afgeschaft
in naam van de rede
dan wordt de rede afgeschaft.

De mens is afgeschaft
in naam van het leven
dan wordt het leven afgeschaft.

De waarheid is afgeschaft
in naam van de informatie
maar de informatie wordt niet afgeschaft.

De grondwet is afgeschaft
in naam van de noodtoestand
maar de noodtoestand wordt niet afgeschaft.

6 november 2020
Giorgio Agamben