Een paar cijfers

door Giorgio Agamben

vertaling van Alcuni Dati
(30 oktober 2020)

Volgens officiële berichten waren er op 28 oktober in Italië in totaal 617.000 positieve gevallen van covid-19 bekend, waarvan er 279.000 zijn genezen. Het aantal doden bedroeg 38.127 (het cijfer verwijst naar het aantal personen dat besmet was, ongeacht de werkelijke doodsoorzaak). In overgrote meerderheid bestempelden de positief geteste mensen zichzelf als gezond (vreemd genoeg nu ‘niet-symptomatische patiënten’ genoemd).

Italië telt 60.391.000 inwoners. In 2017 stierven er in totaal 650.614 mensen (in 2019: 647.000). In 2017 overleden er 53.372 mensen aan luchtwegaandoeningen, en als gevolg van hart- en vaatziekten 230.283 (gegevens van ISTAT). Volgens wetenschappelijke studies is de IFR (Infection fatality rate) voor covid-19 ongeveer 0,6%*.

Het is op basis van deze gegevens dat de grondwettelijke vrijheden worden opgeschort, de bevolking doodsbang wordt gemaakt, het sociale leven wordt stilgelegd en de mentale en fysieke gezondheid van mensen sterk wordt ondermijnd.

30 oktober 2020
Giorgio Agamben

* ‘Organisms, Journal of biologische Sciences’, vol. 4, nr. 1, 2020, p.6

Een land zonder gezicht

door Giorgio Agamben

vertaling van Un paese senza volto
(8 oktober 2020)

‘Dat wat men gezicht noemt, kan bij geen enkel dier bestaan
maar wel bij de mens, en dit drukt het karakter uit.’
Cicero

Hoewel alle levende wezens zich ​​in de vrije natuur bewegen, zich aan elkaar laten zien en met elkaar communiceren, heeft alleen de mens een gezicht, maakt alleen de mens van zijn aanwezigheid en communicatie met andere mensen een fundamentele ervaring, maakt alleen de mens van zijn gezicht de plaats waar hij waarheid zoekt.

Wat het gezicht blootlegt en openbaart, is niet iets dat in woorden kan worden gevat, of in een eenvoudige zin kan worden geformuleerd. Met zijn eigen gezicht zet de mens zichzelf onbewust op het spel: het is door zijn gezicht – meer dan in taal – dat hij zichzelf uitdrukt en openbaart. En wat het gezicht uitdrukt, is niet alleen de gemoedstoestand van een individu, het is vooral de openheid, het zichzelf blootstellen en communiceren met andere mensen.

Dit is waarom het gezicht het domein is van de politiek. Dat dieren geen politiek kennen, komt  omdat dieren, die zich altijd in de vrije natuur begeven, hun blootstelling niet tot een probleem maken – ze beschouwen hun situatie als vanzelfsprekend. Daarom zijn dieren niet geïnteresseerd in spiegels, in het beeld als beeld. De mens daarentegen wil zichzelf herkennen en herkend worden, hij wil zich naar zijn eigen beeld vormen, hij zoekt daarin de waarheid. Zo vormt hij de vrije natuur om tot de wereld, tot een plaats van onophoudelijke politieke dialectiek.

Als mensen uitsluitend tekst zouden uitwisselen, louter dingen zouden benoemen, zou er nooit echt politiek zijn, maar alleen een overdracht van informatie. Maar aangezien mensen in de eerste plaats in alle openheid met elkaar  communiceren, in de zin van pure communicatie, is het gezicht juist de voorwaarde voor politiek, dat waarnaar alles wat mensen zeggen en benoemen, is te herleiden. Het gezicht is in die zin de ware gemeenschap, het politieke domein bij uitstek. Door elkaar aan te kijken, herkennen mensen elkaar en voelen ze zich betrokken bij elkaar, zien ze gelijkenis en diversiteit, verwijdering maar ook toenadering.

Een land dat niet meer in het gezicht geïnteresseerd is, dat besluit het gezicht van iedere burger, waar die ook gaat, met een masker te bedekken, is een land dat de politiek in zijn geheel heeft afgezworen. In een kale, lege ruimte, waarin iedereen voortdurend onderworpen is aan grenzeloze controle, bewegen individuen zich dan geïsoleerd van elkaar, terwijl ze de direct zichtbare basis van hun gemeenschap hebben verloren en alleen nog maar in staat zijn informatie uit te wisselen met een naam die geen gezicht meer heeft. Met een naam die geen gezicht meer heeft.

8 oktober 2020
Giorgio Agamben


Als het huis in brand staat

door Giorgio Agamben

vertaling van Quando la casa brucia
(5 oktober 2020)

‘Alles wat ik doe is zinloos, als het huis in brand staat.’ (1) Maar juist als het huis in brand staat, moet je doorgaan met wat je deed, moet je alles met zorg en toewijding doen, misschien zelfs nog aandachtiger dan daarvoor – ook al heeft niemand het in de gaten. Het kan zijn dat het leven van de aardbodem verdwijnt, dat er, of dat nou goed of slecht is, niets meer herinnert aan wat er ooit gebeurde. Maar je moet door met wat je deed, het is te laat om je aan te passen, er is geen tijd te verliezen.

‘Wat er om je heen gebeurt / doet je niets meer’. (2) Zoals de geografie van een land dat je voor altijd achter je moest laten. Maar wat betekent dat voor jou? Juist als het je niets meer doet, als alles voorbij is, verschijnt elk ding en elke plek in zijn meest ware gedaante, lijkt het of alles op een bepaalde manier juist dichterbij is – verschijnt het als wat het is: fantastisch en ellendig tegelijk.

Filosofie, dode taal. ‘De taal van dichters is altijd een dode taal… vreemd om te zeggen: je gebruikt een dode taal om het denken levendiger te maken.’ (3) Misschien geen dode taal, maar een dialect. Dat filosofie en poëzie spreken in een taal die slechts een taal is bij benadering, bepaalt hun positie, hun specifieke levensvatbaarheid. De wereld te wegen, te beoordelen door haar te koppelen aan een dialect, aan een dode taal, een oertaal, waarbinnen nog geen komma mag worden gewijzigd. Blijf dit dialect spreken juist nu het huis in brand staat.

Welk huis staat in brand? Het land waar je woont? Of Europa? Of de hele wereld? Misschien zijn de huizen, de steden al platgebrand, wie weet hoelang al, verzwolgen door een gigantisch vuur waarvan we zeiden dat we het niet zagen. Van een paar huizen zijn alleen nog stukken muur over, een wand met fresco’s, een stuk van het dak, namen, heel veel namen, alle al in de greep van het vuur. En toch bedekken we de muren zorgvuldig met wit gips en valse woorden zodat ze nog intact lijken. In huizen en steden die volledig in vlammen zijn opgegaan, daarin wonen we, alsof ze er nog staan, mensen doen alsof ze daar thuis zijn en ze gaan gemaskerd de straat op tussen de puinhopen, alsof de vertrouwde buurt uit het verleden er nog steeds is. En nu is de vlam van vorm en karakter veranderd, is hij digitaal geworden, onzichtbaar en koud, maar juist daarom is hij nog dichterbij, is hij onder ons en omhult hij ons continu.

Dat een beschaving – een barbarij – diep zinkt zonder ooit weer boven te komen, dat heeft zich vaker voorgedaan en historici zijn eraan gewend om schipbreuken en scheepswrakken te markeren en te dateren. Maar hoe kunnen we getuigen van een wereld die geblindoekt en met bedekte gezichten in elkaar zakt, van een staat die zich, wazig en laf, inlaat met abject gedrag en bangmakerij? De blindheid is nog uitzichtlozer, omdat de schipbreukelingen doen alsof ze hun eigen schipbreuk regiseren, ze zweren dat alles technisch onder controle is, dat er geen nieuwe god of nieuwe hemel nodig is – alleen verboden, experts en medici. Paniek en bedrog.

Wat zou een God zijn tot wie niet wordt gebeden of aan wie geen offers worden gebracht? En wat zou een wet zijn die gebod noch handhaving kende? En wat een woord dat niets betekent of gebiedt, maar voor het eerst wordt gedefinieerd – of zelfs dat niet eens?

Een cultuur die aan zijn einde is, levenloos, probeert haar ondergang zo goed mogelijk te bezweren door middel van een permanente noodtoestand. De totale mobilisatie die volgens Jünger het wezenlijke karakter van onze tijd uitmaakt, moet in dit perspectief worden gezien. Mensen moeten worden gemobiliseerd, ze moeten op elk moment het gevoel hebben dat ze zich in een noodtoestand bevinden, tot in het kleinste detail gereguleerd door degenen die de macht hebben daarover te beslissen. Maar terwijl mobilisatie ooit bedoeld was om mensen dichter tot elkaar te brengen, is het nu bedoeld om hen te isoleren en van elkaar te scheiden.

Hoe lang staat het huis al in brand? Hoe lang brandt het al? Zeker een eeuw geleden, tussen 1914 en 1918, gebeurde er in Europa iets, dat alles wat bestendig en springlevend leek aan het vuur prijsgaf en tot waanzin bracht; daarna, dertig jaar later, brak overal brand uit en sindsdien is het blijven branden, onophoudelijk, onder de oppervlakte, nauwelijks zichtbaar onder de as. Maar misschien begon de brand al veel eerder, toen de blinde drang van de mensheid naar verlossing en vooruitgang zich aaneensmeedde met de kracht van vuur en machines. Dit is allemaal bekend en hoeft niet herhaald te worden. We moeten ons eerder afvragen hoe we, terwijl alles brandde, in staat waren te blijven leven en te denken, en wat op de een of andere manier intact bleef in het midden van de brandstapel of aan de randen ervan. Hoe we erin slaagden de vlammen in te ademen, wat we verloren, en aan welk scheepswrak – of welk bedrog – we ons vastklampten. En nu er geen vlammen meer zijn, maar alleen getallen, cijfers en leugens, zijn we zeker zwakker en eenzamer, maar zonder eventuele compromissen, helderder als ooit tevoren.

Zoals een fundamenteel architectonisch probleem pas zichtbaar wordt in een brandend huis, kun je nu zien wat er op het spel stond in de Westerse wereld, wat het tegen elke prijs heeft geprobeerd te begrijpen en waarom dat alleen maar kon mislukken.

Het is alsof de macht tegen elke prijs probeert het naakte leven, dat zij zelf heeft voortgebracht, te bevatten, terwijl, hoezeer zij ook haar best doet het zich toe te eigenen en te controleren met alles wat binnen haar macht ligt – niet langer alleen politiek, maar ook medisch en technologisch – het haar alleen maar ontglipt, omdat het per definitie ongrijpbaar is. Het naakte leven beheersen is de waanzin van onze tijd. Mensen gereduceerd tot een puur biologische bestaan ​​zijn niet langer menselijk, het bestuur van mensen en het bestuur van dingen zijn hetzelfde geworden.

Het andere huis, daar waar ik nooit zal kunnen wonen, maar wat mijn echte thuis is, het andere leven, dat ik niet leidde terwijl ik dacht dat ik het leidde, de andere taal, die ik lettergreep voor lettergreep heb gespeld zonder die ooit te kunnen spreken – zozeer van mij dat ik dat alles nooit kan bezitten…

Wanneer gedachte en taal gescheiden worden, gelooft men dat men kan spreken terwijl men vergeet dat men spreekt. Poëzie en filosofie, terwijl ze iets zeggen, vergeten niet wat ze zeggen, ze herinneren de taal. Als we ons de taal herinneren, als we niet vergeten dat we kunnen spreken, dan zijn we vrijer, worden we niet beperkt tot dingen en regels. Taal is geen hulpmiddel, het is ons gezicht, de openheid waarin we bestaan.

Het gezicht is dat wat het meest menselijk is: de mens heeft een gezicht en niet alleen een snuit of een kop, omdat hij zich in de open lucht bevindt, omdat hij zichzelf door zijn gezicht blootstelt en communiceert. Dit is waarom het gezicht de plaats is van politiek. Onze onpolitieke tijd wil zijn eigen gezicht niet zien, het houdt het op afstand, maskeert het en bedekt het. Er mogen geen gezichten meer zijn, alleen getallen en cijfers. De tiran heeft ook geen gezicht.

Voelen te leven: beïnvloed worden door de eigen gevoeligheid, subtiel overgeleverd worden aan het gebaar zonder het te kunnen vooronderstellen of vermijden. Mezelf voelen leven, maakt leven voor mij mogelijk, ook al zit ik opgesloten in een kooi. En niets is zo echt als deze mogelijkheid.

In de komende jaren zullen er alleen nog maar monniken en misdadigers zijn. En toch is het niet mogelijk om zomaar een stap opzij te zetten, te denken dat je de brokstukken van de wereld die om ons heen is ingestort, kunt laten voor wat ze zijn. Omdat de ineenstorting ons aangaat en ons aanspreekt, zijn ook wij slechts een van die brokstukken. En we zullen voorzichtig moeten leren om die brokstukken op de juiste manier te gebruiken, zonder opgemerkt te worden.

Ouder worden: ‘alleen de wortels groeien nog, de takken niet meer’. Je verder verdiepen in de wortels, geen bloemen of bladeren meer. Of, beter gezegd, als een dronken vlinder wegvliegen van het leven dat er ooit was. Er zijn nog steeds takken en bloemen in het verleden. En je kunt nog steeds honing maken.

Het gelaat is goddelijk, maar de botten zijn atheïstisch. Aan de buitenkant spoort alles ons aan tot God; van binnen het hardnekkige, spottende atheïsme van het skelet.

Dat de ziel en het lichaam onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn – dat is spiritueel. De geest is geen derde tussen ziel en lichaam: zij is de machteloze, wonderbaarlijke uitkomst van die twee. Biologisch leven is een abstractie en het is deze abstractie die we denken te kunnen beheersen en genezen.

Voor ons alleen kan er geen verlossing zijn: er is verlossing omdat er anderen zijn. En dit is niet om morele redenen, aangezien ik in dat geval zou moeten handelen voor de ander zijn bestwil. Alleen omdat ik niet alleen ben, is er verlossing: ik kan mezelf alleen verlossen als een van de velen, als een ander temidden van anderen. In mijn eentje – dit is de bijzondere waarheid van eenzaamheid – heb ik geen verlossing nodig, kan ik in feite niet verlost worden. Verlossing is de dimensie die zich opent omdat ik niet alleen ben, omdat er verscheidenheid en veelheid is. God is, door vlees te worden, niet langer uniek, is een mens onder de mensen geworden. Om deze reden heeft het christendom zich aan de geschiedenis moeten binden en zijn lot tot aan het eind moeten volgen – en wanneer de geschiedenis, zoals het tegenwoordig lijkt te gebeuren, ten einde is en ophoudt te bestaan, gaat ook het christendom ten onder. De onoplosbare tegenstrijdigheid is dat het, zowel in de geschiedenis als door de geschiedenis heen, een verlossing zocht die de geschiedenis overstijgt en wanneer die eindigt, wordt de grond onder zijn voeten weggevaagd. De kerk was in werkelijkheid niet solidair met de verlossing, maar met de geschiedenis van de verlossing en omdat ze ‘verlossing’ zocht door de geschiedenis heen, kon ze alleen maar uitkomen bij ‘gezondheid’. En toen het zover was, aarzelde ze niet om de verlossing op te offeren aan de gezondheid. Verlossing moet van zijn historische context worden ontdaan, er moet een niet-historische verscheidenheid worden gevonden, een verscheidenheid als een uitweg uit de geschiedenis.

Een plaats of situatie verlaten zonder andere gebieden te betreden, een identiteit en een naam achterlaten zonder een andere aan te nemen.

Naar het heden toe kan men alleen teruggaan, terwijl men in het verleden vooruitgaat. Wat we het verleden noemen, is slechts onze lange teruggang naar het heden toe. Onszelf losmaken van ons verleden is de belangrijkste bron van kracht.

Wat ons van de neerwaartse druk verlost, is de adem. In de adem voelen we geen neerwaartse druk, we worden voortgestuwd als in een vlucht bevrijd van zwaartekracht.

We zullen helemaal opnieuw moeten leren oordelen, maar met een oordeel dat niet straft of beloont, niet vrijspreekt of veroordeelt. Een handeling zonder doel, die het bestaan ​​ontdoet van iedere zin die altijd onrechtvaardig en vals zal zijn. Slechts een onderbreking, een moment balancerend op de grens van tijd en eeuwigheid, waarin een glimp te zien is van een leven zonder einde of vooruitzicht, zonder naam of herinnering – om deze reden komt de verlossing niet in de eeuwigheid tot stand, maar in een ‘soort eeuwigheid’. Een oordeel zonder vooraf vastgestelde criteria, wat kenmerkend is voor deze politiek, omdat die het leven zijn natuurlijkheid teruggeeft.

Voelen en invoelen, medeleven en eigenliefde vinden gelijktijdig plaats. In elk medeleven is er een invoeling van gevoel, in elk medeleven met jezelf een gevoel van de ander, een vriendschap en een gezicht.

De werkelijkheid is de sluier waardoor we waarnemen wat mogelijk is, wat we wel of niet kunnen doen.

In te zien welke van onze kinderlijke wensen zijn verhoord, is niet eenvoudig. Vooral niet als dat wat verhoord wordt, grenst aan het ongehoorde, maar voldoende is om ons verder te laten leven. Men is bang voor de dood omdat het aandeel ongehoorde verlangens mateloos is toegenomen.

‘Runderen en paarden hebben vier hoeven: zo omschrijf ik de hemel. Paarden beteugelen, de neusgaten van een koe doorboren – dat is wat mensen doen. Daarom zeg ik: pas op dat de mens niet de hemel in je kapotmaakt, pas op dat het doelbewuste het hemelse niet kapotmaakt’. (4)

Wat overblijft in het huis dat in brand staat is de taal. Niet de taal zelf, maar de ooit vergeten, prehistorische, zwakke krachten die haar koesteren en herinneren: filosofie en poëzie. En welk aspect koesteren ze, herinneren ze, van de taal? Niet die ene belangrijke stelling, niet die ene passage over geloof of kwade trouw. Het feit dat er taal is, dat we zonder een naam open staan voor een naam en dat we in deze opening, in een gebaar, in een gezicht, onkenbaar en naakt zijn.

De poëzie, het woord, is het enige dat nog over is van toen we nog niet wisten hoe we moesten praten, een duister lied in de taal, een dialect of een idioom waarvan we de intentie niet volledig kunnen bevatten, maar waar we alleen maar naar kunnen luisteren – ook als het huis in brand staat, ook als mensen onzin verkondigen in een taal die in brand staat.

Maar is er een taal van de filosofie, net zoals er een taal van de poëzie is? Net als bij poëzie, woont filosofie volledig in de taal en alleen in de manier van wonen onderscheidt het zich van poëzie. Twee spanningsvelden op het gebied van de taal, die elkaar soms kruisen en dan weer onvermoeibaar uit elkaar gaan. En degene die een gepast woord uitspreekt, een eenvoudig, oorspronkelijk woord, die woont in zo’n spanningsveld.

Wie zich realiseert dat het huis in brand staat, kan worden verleid om zijn gelijke die het niet ziet, met minachting en verachting te aanschouwen. Maar zullen nu niet juist deze mensen, die niet zien en niet denken, niet de geesten zijn tegen wie je op de laatste dag verantwoording moet afleggen? Beseffen dat het huis in brand staat, verheft je niet boven de anderen: integendeel, het is met hen dat je een laatste blik moet wisselen als de vlammen dichterbij komen. Wat kun je zeggen om je vermeende geweten te rechtvaardigen tegenover deze mensen die zo onwetend zijn dat ze haast onschuldig lijken?

In het huis dat in brand staat blijf je doen wat je eerder deed – maar je kunt niet anders dan zien wat de vlammen je zonder opsmuk tonen. Er is iets veranderd, niet in wat je doet, maar in de manier waarop je het de wereld in laat gaan. Een gedicht dat is geschreven in het huis dat in brand staat, is gepaster en waarachtiger, omdat niemand ernaar zal kunnen luisteren, omdat niets garandeert dat het aan de vlammen kan ontsnappen. Maar als het toevallig een lezer vindt, zal het op geen enkele manier ontsnappen aan de afwezige die het oproept uit dat weerloze, onverklaarbare, ingetogen gemurmel. Alleen degenen die geen kans hebben om gehoord te worden, alleen degenen die vanuit een huis spreken dat de door hun omringende vlammen meedogenloos wordt verzwolgen, kunnen de waarheid vertellen.

De mens verdwijnt vandaag, als een gezicht in het zand op het strand van de kust. (5) Maar wat ervoor in de plaats komt, beschikt niet meer over een wereld, er is slechts het naakte leven, stom en zonder geschiedenis, overgeleverd aan de berekeningen van macht en wetenschap. Maar misschien komt er na deze verwoesting iets anders dat, op een dag, langzaam of plotseling, verschijnt – natuurlijk geen god, maar misschien ook niet een andere mens – misschien een nieuw soort dier, of een anderszins levende ziel…

5 oktober 2020
Giorgio Agamben

(1) Agamben refereert hier aan Greta Thunberg’s uitspraak uit 2019 ‘The house is on fire’.
(2) Nina Cassian – ‘Interdicţie’.
Nina Cassian (1924-2014) was een Roemeense dichter, journalist en musicus die, na zestig jaar in Roemenië te hebben geleefd, in 1985 permanent naar New York verhuisde.
(3) Giovanni Pascoli – ‘Il Ritorno’, Bologna 1896.
Giovanni Pascoli (1855 – 1912) was een Italiaanse dichter en classicus.
(4) Zhuang Zi – Qiu Shui (Herfstoverstromingen)
(5) Michel Foucault, Les Mots et les choses, (Gallimard, 1966) p.398
Agamben refereert hier aan deze passage: ‘[…] alors on peut bien parier que l’homme s’effacerait, comme à la limite de la mer un visage de sable.’

Uitzonderingstoestand en noodtoestand

door Giorgio Agamben

vertaling van Stato di eccezione e stato di emergenza
(30 juli 2020)

Een advocaat waar ik ooit een zekere waardering voor had, probeert in een artikel dat onlangs in een gerespecteerd dagblad is verschenen*, de uitzonderingstoestand zoals die voor de zoveelste keer door de regering is uitgeroepen, te rechtvaardigen met vermeend juridische argumenten. Zonder het onderscheid te erkennen dat Carl Schmitt maakt tussen de commissarische dictatuur die tot doel heeft de huidige grondwet te behouden of te herstellen, en de soevereine dictatuur die daarentegen een nieuwe orde wil vestigen, maakt de advocaat, om het kort samen te vatten, onderscheid tussen noodsituatie en uitzonderingssituatie (of eigenlijk tussen noodtoestand en uitzonderingstoestand). In de realiteit heeft dit onderscheid echter geen enkele juridische basis, aangezien geen enkele grondwet de rechtmatige omverwerping van zichzelf kan voorzien. Om deze reden spreekt Schmitt in zijn essay over de ‘Teologia politica’, waarin de beroemde definitie van de soeverein te vinden is als degene ‘die beslist over de uitzonderingstoestand’, eenvoudigweg over ‘Ausnahmezustand’ (uitzonderingstoestand) wat in de Duitse rechtsleer, en ook daarbuiten, de algemene technische term is geworden om dit niemandsland tussen juridische orde en politieke daad en tussen de wet en opheffing van die wet, te definiëren.

In lijn met het hier genoemde onderscheid van Schmitt, stelt de advocaat dat de noodsituatie de dingen bij het oude laat, terwijl de uitzonderingssituatie veranderingen probeert te bewerkstelligen. ‘De noodsituatie wordt gebruikt om zo snel mogelijk terug te keren naar de normaliteit, de uitzonderingssituatie wordt in plaats daarvan gebruikt om met de regels te breken en een nieuwe orde te vestigen’. De noodtoestand ‘veronderstelt de stabiliteit van een systeem’, ‘de uitzonderingssituatie daarentegen, het ongedaan maken ervan, wat de weg opent naar een nieuw systeem.’

Het onderscheid is overduidelijk politiek en sociologisch van aard en wordt bepaald door een persoonlijk waardeoordeel over de toestand van het systeem in kwestie, over zijn stabiliteit of zijn desintegratie en over de bedoelingen van degenen die de macht hebben om een ​​schorsing van de wet uit te vaardigen, een onderscheid dat, vanuit een juridisch oogpunt, in feite niet bestaat, omdat het in beide gevallen gaat om het eenvoudigweg opschorten van de grondwettelijke waarborgen. Zonder dat ook maar iemand kan inschatten wat de doelstellingen zijn, is het duidelijk dat de uitzonderingstoestand zonder weerga is, en dat er, als zij eenmaal is uitgeroepen, geen enkele instantie bij machte is om de werkelijke aard of omvang van de omstandigheden die haar definiëren te controleren. Het is niet voor niets dat de advocaat op een gegeven moment zich genoodzaakt ziet te schrijven: ‘Dat we vandaag geconfronteerd worden met een medische noodsituatie, kent geen twijfel’. Een subjectief oordeel, merkwaardig genoeg geveld door iemand die geen aanspraak kan maken op enige medische autoriteit, en waartegen het mogelijk is om andere duidelijk meer gezaghebbende meningen in stelling te brengen, vooral omdat hij toegeeft dat ‘er dissonante stemmen uit de wetenschappelijke gemeenschap klinken’ en dat het daarom uiteindelijk aan degenen die de macht hebben is gegeven om de noodsituatie uit te roepen. De noodsituatie, vervolgt hij, in tegenstelling tot die van de uitzonderingssituatie die onbepaalde bevoegdheden omvat, ‘houdt alleen die bevoegdheden in, die gericht zijn op het vooraf bepaalde doel om terug te keren naar de normaliteit’ en toch geeft hij onmiddellijk toe dat dergelijke bevoegdheden ‘niet van tevoren kunnen worden gespecificeerd’. Er is geen rijke juridische cultuur nodig om te beseffen dat, met betrekking tot de opschorting van grondwettelijke waarborgen, die op zich de enige werkelijk relevante zouden moeten zijn, er geen verschil is tussen de twee toestanden.

Het argument van de advocaat is des te misleidender, omdat er niet alleen een juridisch onderscheid wordt geïntroduceerd dat als zodanig niet bestaat, maar ook omdat hij, koste wat het kost, de door de regering afgekondigde uitzonderingstoestand wil rechtvaardigen, en daarom gedwongen wordt zijn toevlucht te nemen tot feitelijk twijfelachtige argumenten die buiten zijn competentie vallen. En dit is des te verrassender, aangezien hij zou moeten weten dat, in wat voor hem alleen een noodsituatie is, grondwettelijke rechten en garanties zijn opgeschort en geschonden, die nooit in twijfel werden getrokken, zelfs niet tijdens de twee wereldoorlogen en het fascisme; en dat dit geen tijdelijke situatie is, wordt sterk bevestigd door de machthebbers zelf, die maar blijven herhalen dat het virus niet alleen niet is verdwenen, maar ook elk moment weer kan opduiken.

Het is misschien vanwege een restje intellectuele eerlijkheid dat de advocaat aan het einde van het artikel de mening noemt van degenen die ‘niet zonder goede argumenten beweren dat, ongeacht het virus, de hele wereld hoe dan ook in een min of meer permanente uitzonderingstoestand leeft’, en dat ‘het sociaaleconomische systeem van het kapitalisme’ niet in staat is zijn crises met het apparaat van de rechtsstaat het hoofd te bieden. In dit verband geeft hij toe dat ‘de pandemie die hele samenlevingen in toom houdt, samenvalt met een onvoorziene kans die wordt aangegrepen om de onderdanige bevolking onder controle te houden’. Het is legitiem om hem uit te nodigen om zorgvuldiger na te denken over de toestand van de samenleving waarin hij leeft en te bedenken dat advocaten niet alleen, zoals helaas al enige tijd het geval is, bureaucraten zijn die zich uitsluitend geroepen voelen het systeem waarin ze leven te rechtvaardigen.

30 juli 2020
Giorgio Agamben

*Het betreft hier een artikel, geschreven door de advocaat Gustavo Zagrebelsky, met de titel ‘Non è l’emergenza che mina la democrazia. Il pericolo è l’eccezione’ (‘Het is niet de noodsituatie die de democratie ondermijnt. Het gevaar is de uitzonderingssituatie’), verschenen in ‘La Repubblica’ op 28 juli 2020 (noot van de vertaler).

Twee misplaatste begrippen

door Giorgio Agamben

vertaling van Due vocaboli infami
(10 juli 2020)

In de discussie rond de gezondheidsnoodtoestand duiken steeds weer twee misplaatste begrippen op, die overduidelijk als enige doel hebben degenen in diskrediet te brengen die wél blijven nadenken, ook wanneer de geest dreigt te worden verlamd door angst: ‘negationist’ en ‘complotdenker’.

Wat betreft de eerste term loont het niet hieraan veel woorden vuil te maken, aangezien degenen die dit begrip hanteren laten zien dat ze, doordat ze zonder geweten de vernietiging van de joden en de epidemie aan elkaar gelijkstellen, bewust of onbewust bijdragen aan het antisemitisme dat nog steeds wijdverbreid is in onze maatschappij, zowel bij rechts als bij links. Zoals Joodse vrienden, terecht beledigd, suggereren, zou het passend zijn als de Joodse gemeenschap zich uit zou spreken tegen het ongepaste gebruik van deze term.

In plaats daarvan is het de moeite waard stil te staan ​​bij de tweede term, die getuigt van een werkelijk verbazingwekkend gebrek aan kennis van de geschiedenis. Iedereen die bekend is met het onderzoek van historici weet verdraaid goed dat de gebeurtenissen die zij reconstrueren en in een context plaatsen het resultaat zijn van plannen en acties die vaak worden gecoördineerd door individuen, groepen en facties die hun doel tot elke prijs willen verwezenlijken. Hier drie voorbeelden onder ontelbaar vele andere, die elk het einde van een tijdperk en het begin van een nieuwe historische periode markeerden.

In 415 voor Christus zet Alcibiades zijn prestige, zijn rijkdom en alles wat binnen zijn macht valt, op het spel om de Atheners te overtuigen een ​​expeditie naar Sicilië te ondernemen die later rampzalig zal blijken te zijn en die zal samenvallen met het einde van de heerschappij van Athene. Zijn tegenstanders, die profiteren van de verminking van de standbeelden van Hermes die enkele dagen voor het vertrek van de expeditie plaatsvonden, verzamelen op hun beurt valse getuigenissen en spannen tegen Alcibiades samen om hem ter dood te veroordelen wegens goddeloosheid.

Op 18 Brumaire (9 november 1799) werpt Napoleon Bonaparte, die trouw had gezworen aan de grondwet van de republiek, het Directoire omver met een staatsgreep, en wordt hij uitgeroepen tot eerste consul met volledige bevoegdheden, waarmee een einde komt aan de revolutie. In de voorgaande dagen had Napoleon een ontmoeting gehad met Emmanuel Joseph Sieyès, Joseph Fouché en Lucien Bonaparte om een complot te smeden waarmee het verwachte verzet van de Raad van Vijfhonderd kon worden gebroken.

Op 28 oktober 1922 vindt de mars naar Rome plaats van ongeveer 25.000 fascisten. In de maanden hieraan voorafgaand legt Benito Mussolini, die deze gebeurtenis had voorbereid met de toekomstige triumvirs Cesare Maria De Vecchi, Emilio De Bono en Michele Bianchi, contact met premier Luigi Facta, met Gabriele D’Annunzio en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven (volgens sommigen zou hij zelfs in het geheim de koning hebben ontmoet) om mogelijke allianties en eventuele reacties af te tasten. In een soort generale repetitie gaan de fascisten, op 2 augustus, over tot een militaire bezetting van Ancona.

Bij alle drie deze gebeurtenissen hebben individuen, die zich in groepen of partijen hadden verenigd, resoluut gehandeld om de doelen te bereiken die ze zichzelf hadden gesteld, waarbij ze steeds weer min of meer voorzienbare omstandigheden creëerden en hun strategie daarop baseerden. Natuurlijk, zoals bij elke menselijke onderneming, speelt toeval een rol, maar de menselijke geschiedenis verklaren aan de hand van toeval heeft geen zin en geen enkele serieuze historicus zou dat ooit doen. Het is dan ook niet nodig om van een ‘complot’ te spreken, maar degenen die zeggen dat complotdenkers historici zijn die proberen complotten in detail te reconstrueren, getuigen van onwetendheid, zo niet idiotie.

Het is daarom des te verbazingwekkender dat we dit blijven doen in een land als Italië, waarvan de recente geschiedenis zozeer het resultaat is van intriges en geheime genootschappen, bewegingen en allerlei soorten samenzweringen, dat historici nog steeds niet in staat zijn om veel van de beslissende gebeurtenissen van de afgelopen vijftig jaar het hoofd te bieden, van de bommen op Piazza Fontana tot de ontvoering van Aldo Moro. Dit is zozeer het geval, dat president Francesco Cossiga destijds zelf verklaarde dat hij actief deel uitmaakte van een van deze geheime genootschappen, bekend onder de naam Gladio.

Wat betreft de epidemie: betrouwbaar onderzoek toont aan dat deze zeker niet onverwachts kwam. Zoals Patrick Zylberman in zijn boek ‘Tempêtes microbiennes’ (Gallimard, 2013) helder uiteenzet, had de Wereldgezondheidsorganisatie al in 2005, ter gelegenheid van de vogelgriep, een scenario als het huidige klaarliggen, dat aan regeringen werd voorgesteld als een manier om de onvoorwaardelijke steun van burgers te kunnen garanderen. Bill Gates, de belangrijkste financier van die organisatie, heeft zijn opvattingen over de risico’s van een pandemie bij verschillende gelegenheden bekend gemaakt, die volgens zijn voorspellingen miljoenen doden zouden veroorzaken en waarop men zich moest voorbereiden. Zo organiseerde het Amerikaanse Johns-Hopkins Center in 2019, in een onderzoek dat werd gefinancierd door de Bill and Melinda Gates Foundation, een simulatieoefening van de coronaviruspandemie, genaamd ‘Event 201’, waarbij experts en epidemiologen werden samengebracht om een ​​gecoördineerde reactie voor te bereiden in het geval er een nieuw virus zou opduiken.

Zoals altijd in de geschiedenis, zijn er ook in dit geval mensen en organisaties die legale of illegale doelstellingen nastreven en deze met alle middelen proberen te verwezenlijken, en het is belangrijk dat degenen die willen begrijpen wat er gebeurt, dit inzien en er rekenschap van nemen. Het spreken over een complot voegt daarom niets toe aan de realiteit van de feiten. Maar om degenen, die willen begrijpen wat een historische gebeurtenis inhoudt, complotdenkers te noemen is gewoonweg misplaatst.

10 juli 2020
Giorgio Agamben

Fase 2

door Giorgio Agamben

vertaling van Fase 2
(20 April 2020)

Zoals was te voorzien, zoals we degenen probeerden duidelijk te maken die liever hun ogen en oren gesloten houden, zal de zogenaamde fase 2, of de terugkeer naar normaal, nog erger zijn dan wat we tot nu toe hebben meegemaakt. Twee dingen die nu worden voorbereid, zijn in het bijzonder hatelijk en duidelijk in strijd met de grondwet: de koppeling van leeftijd aan de mogelijkheid om je te verplaatsen – dat wil zeggen de verplichting voor zeventigplussers om binnen te blijven – en het verplichte bloedonderzoek onder de gehele bevolking.

Zoals precies is opgemerkt in een aanklacht die nu in Italië is ingediend, is de gehanteerde leeftijdsdiscriminatie ongrondwettelijk, aangezien er een groep tweederangsburgers wordt gecreëerd, terwijl alle burgers gelijk moeten zijn voor de wet, en er feitelijk sprake is van vrijheidsberoving als gevolg van een volstrekt ongerechtvaardigde, van bovenaf opgelegde regel, waarbij het gevaar bestaat dat de gezondheid in kwestie niet wordt beschermd, maar juist wordt geschaad. Bewijs hiervoor is het recente nieuws over de zelfmoord van twee 70-plussers, die niet langer in eenzaamheid wilden leven.

Even onwettig is de verplichting van een algeheel bloedonderzoek, aangezien artikel 32 van de grondwet stelt dat niemand gedwongen kan worden deel te nemen aan een medisch onderzoek, behalve bij wet, terwijl, ik herhaal, de maatregelen nu steeds bij decreet worden vastgesteld. Daarnaast zijn er ook nog beperkingen met betrekking tot de afstand die men tot elkaar moet respecteren, en het verbod op vergadering, wat betekent dat elke mogelijkheid tot werkelijk politieke activiteit in de kiem wordt gesmoord.

Het is noodzakelijk dat we ons onvoorwaardelijk uitspreken tegen het model van een samenleving die is gebaseerd op sociale afstand en onbeperkte controle zoals die ons wordt opgelegd.

20 april 2020
Giorgio Agamben

Een vraag

door Giorgio Agamben

vertaling van Una domanda
(13 april 2020)

Ook in alle andere opzichten betekende deze epidemie voor de stad het begin van een steeds diepere minachting voor bestaande normen… Men was niet meer bereid zich inspanningen te getroosten voor een doel van enige waarde, omdat eenieder in onzekerheid verkeerde over de vraag of hij wellicht zou sterven alvorens het te bereiken.
(Thucydides, ‘De Peloponnesische oorlog’, 2.53)

Ik zou graag, met uw welbevinden, een vraag bij u neer willen leggen, waar ik al meer dan een maand onophoudelijk over aan het nadenken ben. Hoe kan het gebeuren dat een heel land, onopgemerkt, zowel ethisch als politiek ineenstort als gevolg van een ziekte? De woorden die ik gebruik om deze vraag te formuleren, heb ik stuk voor stuk zorgvuldig gekozen. Om te weten wanneer er afstand wordt gedaan van de eigen ethische en politieke principes volstaat in feite een simpele vraag: tot welke grens is men bereid deze principes na te leven. Ik geloof dat de lezer die de moeite neemt om te reflecteren op de volgende punten, het wel met mij mee eens zal zijn dat – onopgemerkt of niet – de drempel is overschreden die de mensheid van barbarij scheidt.

1) Het eerste punt, misschien wel het meest ernstige, betreft de lichamen van dode mensen. Hoe hebben we kunnen accepteren, met als enige reden een ‘risico’ dat niet kon worden gespecificeerd, dat mensen, waaronder dierbaren, niet alleen in eenzaamheid stierven, maar ook – iets dat zich nog nooit eerder in de geschiedenis had voorgedaan, van Antigone tot vandaag aan toe – dat hun lijken werden verbrand zonder begrafenis?

2) Vervolgens accepteerden we zonder al te veel problemen, met als enige reden een ‘risico’ dat niet kon worden gespecificeerd, dat onze bewegingsvrijheid werd beperkt in een mate die zich nog nooit eerder in de geschiedenis van het land had voorgedaan, zelfs niet tijdens de twee wereldoorlogen (de avondklok tijdens de oorlog was beperkt tot bepaalde uren). Bijgevolg accepteerden we, met als enige reden een ‘risico’ dat niet kon worden gespecificeerd, dat onze vriendschappen en liefdesrelaties feitelijk werden opgeschort, omdat onze naaste een ‘mogelijke’ bron van besmetting kon zijn.

3) Dit heeft kunnen gebeuren – en hier stoten we op de wortels van het fenomeen – omdat we de eenheid van onze levenservaring, die altijd ondeelbaar tegelijk lichamelijk en geestelijk is, hebben gesplitst in een puur biologische entiteit enerzijds, en in een emotioneel en gecultiveerd bestaan anderzijds. Ivan Illich heeft aangetoond, en David Cayley heeft hier onlangs nog aan herinnerd, dat de moderne geneeskunde verantwoordelijk is voor deze splitsing, die als vanzelfsprekend wordt beschouwd maar daarentegen zeer abstract is. Ik ben me er terdege van bewust dat de moderne wetenschap deze abstractie tot stand heeft gebracht met behulp van reanimatieapparatuur, die een lichaam in een staat van puur vegetatief leven kan houden. Maar als deze toestand voorbij gaat aan zijn eigen ruimtelijke en temporele grenzen, zoals vandaag de dag gebeurt, en een soort uitgangspunt voor sociaal gedrag wordt, vervallen we in tegenstrijdigheden zonder dat er een uitweg bestaat.

Ik weet dat men zich haast te antwoorden dat dit slechts een bepaalde tijd zal duren, waarna de oude situatie weer terugkeert. Maar het is bevreemdend dat deze mantra, al dan niet te kwader trouw, steeds wordt herhaald op het moment dat juist die autoriteiten die de noodsituatie hebben uitgeroepen, ons eraan herinneren dat, wanneer de noodsituatie voorbij is, we dezelfde richtlijnen moeten blijven naleven en dat de ‘sociale afstand’, zoals die met een kenmerkend eufemisme wordt aangeduid, het nieuwe uitgangspunt voor de organisatie van de samenleving zal worden. Hoe dan ook, te goeder of te kwader trouw, wat eenmaal is aanvaard, kan niet meer ongedaan worden gemaakt.

Aangezien ik een ieder van ons op zijn verantwoordelijkheden heb aangesproken, kan ik, op dit punt aangekomen, niet anders dan de nog grotere verantwoordelijkheden noemen van degenen die de taak hadden om over de waardigheid van de mens te waken. In de eerste plaats de Kerk, die, door de dienaar te worden van de wetenschap – die ware religie van onze tijd – radicaal afstand heeft gedaan van haar meest essentiële principes. De Kerk die, onder leiding van een paus met de naam Franciscus, is vergeten dat Franciscus melaatsen omhelsde. Zij is vergeten dat het bezoeken van zieken een van de werken van barmhartigheid is. Zij is vergeten dat een martelaar leert dat men bereid moet zijn zijn leven op te offeren voor het geloof, en dat het opgeven van een naaste gelijk staat aan het opgeven van het geloof.

Een andere groep die heeft verzaakt, is die van de juristen. We zijn al lang gewend aan het roekeloze gebruik van noodverordeningen waardoor de uitvoerende macht feitelijk de wetgevende macht vervangt, en waardoor het beginsel van de scheiding der machten, waarop de democratie is gebaseerd, wordt afgeschaft. Maar in dit geval is elke grens overschreden en krijgt men de indruk dat de woorden van de premier en hoofd van leger en politie, van de Führer om het zo te zeggen, onmiddellijk wet zijn geworden. En het is onduidelijk hoe, zodra de geldigheidsduur van de noodverordeningen over is, de beperkingen van de vrijheid, zoals afgekondigd, gehandhaafd kunnen worden. Met welke juridische regelingen? Met een permanente noodtoestand? Het is de taak van de juristen om na te gaan of de regels van de grondwet worden gerespecteerd, maar de juristen zwijgen. ‘Quare silete iuristae in munere vestro?’

Ik weet dat er steevast iemand zal zijn die antwoordt dat dit grote offer werd gebracht in naam van morele principes. Diegene zou ik eraan willen herinneren dat Eichmann, blijkbaar te goeder trouw, nooit moe was te herhalen dat hij naar eer en geweten handelde, om te gehoorzamen aan wat volgens hem de voorschriften van de Kantiaanse moraal waren. Een regel die stelt dat we het goede moeten verloochenen om het goede te redden, is net zo vals en tegenstrijdig als die welke van ons verlangt dat we de vrijheid verloochenen om de vrijheid te beschermen.

13 april 2020
Giorgio Agamben

Sociale afstand

door Giorgio Agamben

vertaling van Distanziamento sociale
(6 april 2020)

Waar de dood ons wacht is onzeker; laten we hem overal verwachten. Je instellen op de dood is je instellen op de vrijheid. Wie geleerd heeft te sterven heeft afgeleerd om slaaf te zijn. Kunnen sterven bevrijdt ons van alle onderwerping en dwang.
Michel de Montaigne

Aangezien de geschiedenis ons leert dat elk sociaal verschijnsel politieke gevolgen heeft of kan hebben, is het meer dan eens nodig om ons bewust te worden van het nieuwe concept dat vandaag zijn intrede heeft gedaan in de politieke woordenschat van het Westen: de ‘sociale afstand’. Hoewel de term waarschijnlijk is geïntroduceerd als een eufemisme voor het confronterende, en tot nog toe gangbare begrip ‘opsluiting’, moet men zich afvragen hoe een politiek systeem dat op dit concept is gebaseerd eruit zou kunnen zien. Dit is des te urgenter, nu het niet alleen om een puur theoretische hypothese gaat, maar het werkelijk zo is dat, zoals van steeds meer kanten wordt erkend, de huidige gezondheidsnoodtoestand kan worden beschouwd als een kweekvijver voor een nieuwe politieke en sociale orde die de mensheid te wachten staat.

Ook al suggereren dwazen steeds weer dat een dergelijke situatie ook als positief kan worden opgevat, en dat nieuwe digitale technologieën het al lang mogelijk maakten om op een prettige manier op afstand te communiceren, geloof ik niet dat een samenleving die is gebaseerd op ‘sociale afstand’ menselijk en politiek leefbaar is. In ieder geval, wat het vooruitzicht ook is, het lijkt mij dat we over deze kwestie moeten nadenken.

Een eerste aandachtspunt betreft de werkelijk unieke aard van het fenomeen dat de maatregel van de ‘sociale afstand’ heeft veroorzaakt. Canetti stelt in zijn meesterwerk ‘Masse und Macht’ dat de macht van de massa is gebaseerd op de omkering van de angst om aangeraakt te worden. Terwijl mensen meestal bang zijn om aangeraakt te worden door vreemden, en de afstand die mensen tot elkaar bewaren het gevolg is van deze angst, is de massa de enige situatie waarin deze angst wordt omgekeerd in zijn tegendeel. ‘Alleen in de massa kan de mens worden verlost van de angst om aangeraakt te worden… Vanaf het moment dat we ons overgeven aan de massa, zijn we niet bang om aangeraakt te worden… Iedereen die we tegenkomen is hetzelfde als wij, we voelen hen zoals we onszelf voelen. Plots lijkt het alsof alles zich in één lichaam afspeelt… Deze omkering van de angst om aangeraakt te worden, is kenmerkend voor de massa. De opluchting die zo tot stand komt, is sterker naarmate de massa dichter is’.

Ik weet niet wat Canetti zou hebben gedacht van het nieuwe soort massa waarmee we worden geconfronteerd: wat de maatregel van de sociale afstand samen met de paniek heeft voortgebracht, is zeker een massa – maar dan een massa die, als het ware omgekeerd, opgebouwd is uit individuen die koste wat het kost afstand tot elkaar willen bewaren. Een massa die daarom niet dicht is, maar ijl, en die toch nog steeds een massa is, en die, zoals Canetti kort daarna opmerkt, wordt gedefinieerd door zijn eensgezindheid en passiviteit, in die zin dat ‘een werkelijk vrije beweging op geen enkele manier mogelijk is… ze wacht, wacht op een leider, die aan haar getoond moet worden’.

Een paar bladzijden later beschrijft Canetti de massa, die tot stand komt door een verbod, ‘waarin veel mensen die samengekomen zijn, niet langer willen doen wat ze als individuen tot dan toe hadden gedaan. Het verbod is abrupt: ze leggen het zichzelf op… in elk geval raakt het hen met de grootste kracht. Het is net zo beslist als een bevel; kenmerkend is echter het negatieve karakter’.

Het is belangrijk dat we begrijpen dat een gemeenschap die is gebaseerd op sociale afstand, niet, zoals men naïef zou kunnen geloven, te maken heeft met een overdreven individualisme: integendeel, zoals we vandaag de dag om ons heen zien, gaat het hier om een ijle massa, gebaseerd op een verbod, die juist daarom bijzonder eensgezind en passief is.

6 april 2020
Giorgio Agamben

Info

De teksten op deze site zijn alle vertalingen van zogenaamde ‘interventi’, of bijdragen, van Giorgio Agamben zoals die terug te vinden zijn op de site van Quodlibet, de uitgeverij waar veel van het werk van Giorgio Agamben is verschenen. Sinds de publicatie van ‘L’invenzione di un’epidemia’ op 26 februari 2020, hebben de verschillende bijdragen de coronacrisis tot onderwerp. Het eerste tiental teksten is, aangevuld met een aantal fragmenten en interviews, in boekvorm verschenen onder de titel ‘A che punto siamo? – L’epidemia come politica’ (een vertaling hiervan verschijnt bij uitgeverij ‘De blauwe tijger’ in mei 2021).

Alle vertalingen op deze site zijn van de hand van Bas Geerts, beeldend kunstenaar, muziekwetenschapper en schrijver. Geerts studeerde Italiaans aan het Istituto Italiano di Cultura te Amsterdam, als aanvulling op zijn promotieonderzoek naar het werk van de Italiaanse componist Giacinto Scelsi.