Toespraak op de conferentie van Venetiaanse studenten tegen de greenpass op 11 november 2021 in Ca’ Sagredo

door Giorgio Agamben

vertaling van Intervento al convegno degli studenti veneziani contro il greenpass l’11 novembre 2021 a Ca’ Sagredo [1]
(20 december 2021)

Om te beginnen zou ik opnieuw enkele punten naar voren willen brengen die ik een paar dagen geleden al heb geprobeerd te benoemen om de verhulde, maar daarom niet minder radicale transformatie te duiden die zich voor onze ogen voltrekt. Ik geloof dat wij ons in de eerste plaats moeten realiseren dat de juridische en politieke orde waarin wij dachten te leven, volledig is gewijzigd. Deze transformatie heeft plaatsgevonden, zoals duidelijk moge zijn, in het onbestemde gebied dat zich bevindt tussen recht en politiek, genaamd de noodtoestand.

Ongeveer twintig jaar geleden merkte ik op, in een boek dat een theorie trachtte te formuleren van de uitzonderingstoestand [2], dat de uitzonderingstoestand het normale systeem van bestuur aan het worden was. Zoals u weet, is de uitzonderingstoestand een ruimte waarin de wet is opgeschort, een anomische ruimte derhalve, waarvan echter wordt gesuggereerd dat zij onderdeel is van de rechtsorde.

Maar laten we eens nader bekijken wat er gebeurt in de uitzonderingstoestand. Vanuit technisch oogpunt wordt er een verschil gemaakt tussen kracht van wet en de wet in formele zin. Oftewel, de uitzonderingstoestand definieert een ‘rechtstoestand’ waarin enerzijds de wet theoretisch bestaat, maar geen kracht heeft, niet wordt toegepast, wordt opgeschort, en anderzijds maatregelen en voorzieningen die niet kracht van wet hebben, maar wel kracht van wet krijgen. Men zou kunnen zeggen dat het bij de uitzonderingstoestand in het uiterste geval gaat om een steeds wisselende rechtskracht zonder wet. Hoe men deze situatie ook definieert – of men de uitzonderingstoestand als intern, dan wel extern aan de rechtsorde beschouwt – zij leidt hoe dan ook tot een soort verduistering van het recht, waarin het recht, zoals bij een astronomische verduistering, wel blijft bestaan, maar niet langer zijn licht kan laten schijnen.

Het eerste gevolg is het wegvallen van het fundamentele beginsel van rechtszekerheid. Indien de staat een probleem niet middels wetgeving probeert op te lossen, maar met behulp van een noodsituatie, en om de 15 of 30 dagen ingrijpt om dat probleem het hoofd te bieden, dan voldoet de situatie niet meer aan een legaliteitsbeginsel, aangezien het legaliteitsbeginsel erin bestaat dat de staat de wet opstelt en de burgers vertrouwen hebben in die wet en de stabiliteit ervan.

Deze opheffing van de rechtszekerheid is het eerste feit dat ik onder de aandacht wil brengen, omdat zij niet alleen op een radicale verandering duidt van onze verhouding tot de rechtsorde, maar ook van onze manier van leven zelf, aangezien wij komen te leven in een toestand van genormaliseerde illegaliteit.

In plaats van het wetsmodel komen vage termen en formules, zoals ‘noodtoestand’, ‘veiligheid’, ‘openbare orde’, die, omdat zij op zichzelf onbepaald zijn, iemand nodig hebben die hen interpreteert. Wij hebben niet langer te maken met een wet of een grondwet, maar met een wisselende kracht van wet die, zoals wij vandaag de dag zien, kan worden ingevuld door commissies en personen, artsen of deskundigen die weinig bekend zijn met de rechtsorde.

Ik denk dat we hier te maken hebben met een vorm van de zogenaamde dubbelstaat – een begrip waarmee Ernst Fraenkel in een boek uit 1941 [3], dat erom vraagt herlezen te worden, de nazistaat probeerde te beschrijven – die technisch gezien een staat is waarin de uitzonderingstoestand niet meer wordt opgeheven. De duale staat is een staat waarin de normatieve staat (‘Normenstaat’) bestaat naast een discretionaire staat (‘Maßnahmenstaat’, een staat van maatregelen) en het bestuur van mensen en dingen het werk is van hun dubbelzinnige samengaan. Een zin van Fraenkel is in dit verband veelzeggend: ‘Het Duitse kapitalisme heeft voor zijn behoud geen eenheidsstaat nodig, maar een dubbelstaat, met willekeur in politieke zin, en ratio in economisch opzicht’. [4]

Het is in het verlengde van deze dubbelstaat dat wij een verschijnsel ontwaren, waarvan het gewicht niet kan worden onderschat, en dat betrekking heeft op de verandering van het staatsbestel zelf zoals die voor onze ogen tot stand komt. Ik doel op wat Amerikaanse politicologen ‘The administrative State’, of administratieve staat noemen, theoretisch uitgewerkt in het recente boek van Sunstein en Vermeule [5]. Het betreft hier een staatsmodel waarin de ‘governance’, of regering, de traditionele verdeling van de macht (wetgevend, uitvoerend en rechterlijk) teniet doet en waarin instanties, die niet grondwettelijk zijn te toetsen, op willekeurige wijze en onder het mom van goed bestuur, functies en bevoegdheden overnemen die toebehoorden aan de drie grondwettelijk bevoegde machten. Dit is een soort Leviathan, puur administratief, die geacht wordt te handelen in het belang van de gemeenschap, ook al gaat zij voorbij aan wetten en grondrechten, met als doel niet de vrije keuze van de burgers zeker te stellen, maar te sturen op dat wat Sunstein de bevaarbaarheid noemt – in werkelijkheid de regeerbaarheid. Dit is wat vandaag overduidelijk aan de hand is, nu we zien dat de beslissingsbevoegdheid is komen te liggen bij commissies en individuen (artsen, economen en deskundigen) die volledig buiten de grondwettelijke machten vallen.

Door deze feitelijke praktijken wordt de grondwet op een veel wezenlijker wijze aangepast dan wanneer alleen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid delen ervan te reviseren, en zo wordt de grondwet uiteindelijk, zoals een leerling van Marx eens zei, een ‘Stück Papier’[6], een stukje papier – niet meer dan dat. En het is veelzeggend dat deze transformaties de lijn volgen van de duale structuur van het nazi-bestuur en dat misschien juist het concept van ‘bestuur’, van politiek als ‘cybernetica’, of de kunst van het besturen, ter discussie moet worden gesteld.

Er is gezegd dat de moderne staat valt of staat bij de voorwaarden die hij zelf niet kan garanderen. Het is mogelijk dat de situatie die ik heb proberen te beschrijven de vorm is waarin dit gebrek aan garanties zijn kritieke grens heeft bereikt, en dat de moderne staat, door, zoals vandaag blijkt, af te zien van het garanderen van zijn voorwaarden, het einde van zijn geschiedenis heeft bereikt, en het is dit einde dat wij misschien nu meemaken.

Ik ben van mening dat elke discussie over wat wij vandaag kunnen of moeten doen, moet uitgaan van het besef dat de beschaving waarin wij leven nu ten einde is – of beter, aangezien het een maatschappij is die gebaseerd is op financiën – failliet is gegaan. Dat onze cultuur op de drempel van een algemeen faillissement stond, was al tientallen jaren duidelijk en de meest heldere geesten van de twintigste eeuw hadden de diagnose al zonder meer gesteld. Ik kan niet nalaten mij te herinneren met hoeveel kracht en met hoeveel afschuw Pasolini en Elsa Morante [7], in de jaren zestig die nu zoveel beter lijken dan het hier en nu, de onmenselijkheid en barbaarsheid aanklaagden die zij om zich heen zagen toenemen. Ons treft vandaag het bewustzijn – zeker niet aangenaam, maar misschien wel sterker dan voorheen – dat wij ons niet meer op de drempel bevinden, maar dat wij ons middenin dit intellectuele, ethische, religieuze, juridische, politieke en economische failliet bevinden, in de extreme vorm die dit heeft aangenomen: de uitzonderingstoestand in plaats van het recht, informatie in plaats van waarheid, gezondheid in plaats van verlossing en geneeskunde in plaats van religie, technologie in plaats van politiek.

Wat te doen in zo’n situatie? Op individueel niveau natuurlijk zoveel mogelijk blijven doen wat je al probeerde te doen, ook al lijkt daar geen reden meer voor te zijn – juist daarom doorgaan. Ik geloof echter niet dat dit voldoende is. Hannah Arendt vroeg zich af, in een beschouwing waar wij ons nauw aan verwant voelen, omdat zij de titel droeg ‘On humanity in dark times’ [8]: ‘In hoeverre blijven wij verplicht tot de wereld en de publieke sfeer, zelfs wanneer wij eruit verdreven zijn (dit was wat er destijds met de Joden gebeurde) of ons eruit hebben teruggetrokken (zoals degenen die hadden gekozen voor wat paradoxaal genoeg ‘innerlijke emigratie’ werd genoemd in nazi-Duitsland)?’ [9]

Ik denk dat het vandaag belangrijk is niet te vergeten dat, als wij ons in een vergelijkbare toestand bevinden, dat is omdat wij daartoe gedwongen zijn, en dat het dus een keuze is die hoe dan ook politiek blijft, ook al lijkt zij zich buiten de wereld te plaatsen. Arendt wees op vriendschap als de mogelijke basis voor politiek in donkere tijden. Ik denk dat dit een juiste constatering is, op voorwaarde dat we niet vergeten dat vriendschap – dat wil zeggen, het feit dat we een anders-zijn ervaren in onze beleving van het bestaan – een soort politiek minimum is, een drempel die het individu zowel verenigt als scheidt van de gemeenschap. Tenminste, als we bedenken dat het hier niets minder betreft dan een poging om overal een samenleving of een gemeenschap binnen de samenleving te vormen. Met andere woorden, in het licht van de toenemende depolitisering van het individu, in vriendschap het radicale principe hervinden van een hernieuwde politisering. Het lijkt mij dat jullie studenten hiermee zijn begonnen, door jullie vereniging op te richten. Maar jullie moeten dit verder uitbreiden, want daarvan hangt de mogelijkheid af om op een menselijke manier te leven.

Tot slot zou ik mij willen richten tot de studenten die hier aanwezig zijn en die mij hebben uitgenodigd om hier vandaag te spreken. Ik zou jullie willen herinneren aan iets dat de basis zou moeten zijn van elke universitaire studie maar waar binnen de universiteit geen melding van wordt gemaakt. Eerder dan dat de mens in een land en in een staat leeft, leeft de mens in een taal, en ik geloof dat alleen als het ons lukt te onderzoeken en te begrijpen hoe deze leefomgeving is gemanipuleerd en getransformeerd, wij in staat zullen zijn te begrijpen hoe de politieke en juridische transformaties hebben kunnen plaatsvinden die wij waarnemen.

De hypothese die ik u wil voorhouden is dan ook dat de transformatie van de relatie met de taal de voorwaarde is voor alle andere transformaties in de maatschappij. En als wij ons dat niet realiseren, komt dat omdat de taal per definitie verborgen blijft in wat zij benoemt en ons te verstaan geeft. Zoals een psychoanalyticus die ook een beetje filosoof was eens zei: ‘wat je zegt wordt verhuld door dat wat gehoord wordt in wat je zegt’ [10].

Wij zijn gewend naar moderniteit te kijken als het historische proces dat begon met de industriële revolutie in Engeland en de politieke revolutie in Frankrijk, maar wij vragen ons niet af welke revolutie in de relatie tussen mens en taal mogelijk maakte wat Polanyi de ‘Grote Transformatie’ noemde [11].

Het is zeker veelbetekenend dat de revoluties waaruit de moderniteit is voortgekomen, vergezeld gingen van, zo niet voorafgegaan werden door, een problematisering van de rede, dat wil zeggen van datgene wat de mens definieert als een pratend dier. Ratio komt van ‘reor’, wat ‘tellen, rekenen’ betekent, maar ook ‘spreken’ in de zin van ‘rationem reddere’, ‘rekenschap afleggen’. De droom van de rede, geworden tot godin, valt samen met een ‘rationalisering’ van de taal en de ervaring van de taal, die ons in staat stelt rekenschap af te leggen en de natuur in haar geheel te beheersen als ook, tegelijkertijd, het leven van de mensen te besturen.

En wat is nu dat wat wij wetenschap noemen, anders dan een taalpraktijk die ertoe neigt bij de spreker alle ethische, poëtische en filosofische ervaring van het spreken uit te schakelen, om de taal om te vormen tot een neutraal instrument voor de uitwisseling van informatie? Als de wetenschap nooit kan beantwoorden aan onze behoefte aan geluk, dan komt dat omdat zij uiteindelijk niet uitgaat van een sprekend wezen, maar van een biologisch lichaam dat als zodanig zwijgt. En hoe moet de verhouding van de spreker tot zijn taal veranderd zijn, zodat de mogelijkheid zelf om waarheid van onwaarheid te onderscheiden niet meer mogelijk is, zoals nu het geval is? Als artsen, juristen en wetenschappers vandaag de dag een discours aanvaarden dat afziet van het stellen van vragen over de waarheid, dan is dat misschien omdat zij – wanneer zij daar niet voor betaald worden – in hun taal niet meer kunnen denken – dat wil zeggen in het onbestemde zweven (denken komt van ‘pendere’) – maar alleen rekenen.

Hannah Arendt merkt op, in haar boek over Eichmann [12] – een meesterwerk van de twintigste-eeuwse ethiek – dat Eichmann een volkomen rationeel man was, maar dat hij niet in staat was om na te denken, dat wil zeggen om de stroom van het discours te onderbreken die zijn geest beheerste en die hij niet kon bevragen, maar alleen als een bevel kon uitvoeren.

De eerste taak die voor ons ligt, is dus het herontdekken van een oorspronkelijke en bijna dialectische, dat wil zeggen poëtische en denkende, verhouding tot onze taal. Alleen op die manier kunnen wij uit de doodlopende steeg geraken waarin de mensheid lijkt vast te lopen en die haar naar de ondergang zal voeren – zo niet fysiek, dan toch zeker ethisch en politiek. Het denken herontdekken als een dialect dat onmogelijk te formaliseren en te formatteren is.

[[12]]Hannah Arendt – ‘Eichmann in Jerusalem. A Report on the Banality of Evil’, Viking Press, New York 1963[[11]]



――――――――――――    
  1. Deze tekst lijkt een bewerking te zijn van de toespraak die Giorgio Agamben ook gaf op 21 november 2021. Klik hier voor een video van deze lezing.
  2. Giorgio Agamben – ‘Lo stato di eccezione. Homo sacer, II, I’, Bollati Brighieri, Turijn 2003. Vertaald als ‘State of Exception’, The University of Chicago Press, Chicago 2005
  3. Ernst Fraenkel – ‘Der Doppelstaat’, Europäische Verlagsanstalt/Rotbuch Verlag, Hamburg 1974. Oorspronkelijk verschenen (en daarna terugvertaald) als ‘The Dual State’, Oxford University Press, New York 1941
  4. ibid. p.256 (vertaling naar het Duits origineel: ‘Der deutsche Kapitalismus benötigt für seine Rettung keinen einheitlichen Staat, sondern einen Doppelstaat, mit Willkür in der politischen und ratio in der ökonomischen Sphäre’.)
  5. Cass R. Sunstein & Adrian Vermeule – ‘Law and Leviathan. Redeeming the Administrative State’, Harvard University Press, Cambridge 2020
  6. Agamben doelt hier waarschijnlijk op Vladimir Lenin: ‘Was ist eine Verfassung? Ein Stück Papier, auf dem die Rechte des Volkes niedergeschrieben sind.’ in: Lenin Werke, Band 9, p.463
  7. Pasolini (1922-1975) was een Italiaanse filmregisseur en schrijver, Elsa Morante (1912-1985) een Italiaans schrijver en vertaler.
  8. Hannah Arendt – ‘On Humanity in Dark Times. Thoughts about Lessing’, in: ‘Men in Dark Times’, Mariner Books, Londen 1970, pp. 3-31
  9. ibid., p.22 Het origineel luidt: ‘[…] to what extent do we remain obligated to the world even when we have been expelled from it or have withdrawn from it?’ Agamben heeft aan dit citaat de passages tussen haakjes toegevoegd, alsook het zinsdeel ‘en de publieke sfeer’.
  10. Jacques Lacan – ‘L’étourdit’ in: ‘Autres écrits’, Éditions du Sueil, Paris 1972, p.449 De oorspronkelijke Franse frase luidt: ‘Qu’on dise reste oublié derrière ce qui se dit dans ce qui s’entend’.
  11. Karl Polanyi – ‘The Great Transformation’, Farrar & Rinehart, New York 1944

One thought on “Toespraak op de conferentie van Venetiaanse studenten tegen de greenpass op 11 november 2021 in Ca’ Sagredo”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *