Gaia en Ctonia

door Giorgio Agamben

vertaling van Gaia e Ctonia
(28 december 2020)

I.

In het oud Grieks heeft de aarde twee namen, die overeenkomen met twee verschillende, zo niet tegengestelde werelden: ‘ge’ (of ‘gaia’) en ‘chthon’. In tegenstelling tot een tegenwoordig wijdverbreide theorie woont de mens niet alleen in ‘gaia’, maar heeft hij allereerst te maken met ‘chthon’, een wereld die in sommige mythische verhalen de vorm aanneemt van een godin, die ‘Chthonìe’ of Ctonia wordt genoemd. Zo zijn er volgens de theologie van Pherecydes van Syros oorspronkelijk drie godheden: Zeus, Chronos en Chtonìe waar hij aan toevoegt dat ‘Chtonìe de naam Ge kreeg, nadat Zeus haar de aarde (‘gen’) gaf’. Ook al wordt de identiteit van de godin niet nader bepaald, Ge is zo een bijkomend personage, niet meer dan een andere naam voor Chtonìe. Minstens zo belangrijk is dat bij Homerus de mens wordt gedefinieerd door het adjectief ‘epichtonioi’ (chtonisch, zich op ‘chthon’ bevindend), terwijl het adjectief ‘epigaios’ of ‘epigeios’ specifiek verwijst naar planten en dieren.

Waar het om gaat is dat ‘chthon’ en ‘ge’ twee aspecten van de aarde benoemen die als het ware geologisch tegengesteld zijn: ‘chthon’ is de bovenkant van de onderwereld, de aarde van boven naar beneden beschouwd, ‘ge’ is de aarde van beneden naar boven bekeken, de kant van de aarde die zich richt op de hemel. Dit stratigrafische onderscheid komt overeen met een verschil in praktijk en functie: ‘chthon’ kan niet worden gecultiveerd of vruchtbaar worden gemaakt, het onttrekt zich aan de tegenstelling stad/platteland en is niet iets wat men zich kan toe-eigenen; ‘ge’ daarentegen, zoals de naam bij Homerus benadrukt, ‘voedt alles wat op chthon is’ (‘epi chthoni’) en produceert alles wat groeit en bloeit waarmee de mensen zich verrijken: voor degenen die ‘ge’ met al zijn goedheid eert, ‘zijn de door boeren getrokken voren, die leven geven, overladen met fruit, gedijt het vee in de velden en is het huis gevuld met rijkdom en worden de steden, bevolkt door mooie vrouwen, aan de hand van rechtvaardige wetten bestuurd’.

De theogonie van Pherecydes bevat het vroegste bewijs van een relatie tussen Ge en Chthon, tussen Gaia en Ctonìa. Een fragment dat ons is overgeleverd door Clemens van Alexandrië, specificeert deze band door te vermelden dat Zeus getrouwd is met Chthonìe, en dat, zoals gebruikelijk bij de huwelijksritus van de ‘anakalypteria’ – als de bruid haar sluier afdoet en naakt voor de bruidegom verschijnt – Zeus haar met ‘een grote en mooie mantel’ bedekt, waarin ‘Ge en Ogeno (Oceaan) met verschillende kleuren zijn geborduurd’. Chthon, de onderwereld, is dan ook iets afschrikwekkends, iets wat zich niet naakt kan tonen en het gewaad waarmee Zeus haar omkleedt, is niemand minder dan Gaia, de bovenwereld. Een passage uit ‘Grot der Nymfen’ van Porphyry vertelt ons dat Pherecydes de chtonische dimensie karakteriseerde als een diepte, ‘sprekend over inhammen (‘mychous’), greppels (‘bothrous’) en grotten (‘antra’)’, opgevat als deuren (‘thyras’, ‘pylas’) waar zielen doorheen gaan bij de geboorte en de dood. De aarde is een dubbele realiteit: Ctonìa is de vormloze en verborgen bodem die Gaia bedekt met haar bonte borduurwerk van heuvels, bloemrijke landschappen, dorpen, bossen en kuddes.

Zelfs in de theogonie van Hesiodus heeft de aarde twee gezichten. Gaia, ‘het fundament van alle dingen’, is het eerste wezen van Chaos, maar het chtonische element wordt onmiddellijk daarna opgeroepen en, zoals bij Pherecydes, gedefinieerd met de term ‘mychos’: ‘de donkere Tartarus met brede inhammen diep in de aarde (‘mychoi chthonos eyryodeies’)’. Waar het stratigrafische verschil tussen de twee aspecten van de aarde het duidelijkst naar voren komt, is in de Homerische Hymne aan Demeter. Al in het begin, wanneer de dichter de scène beschrijft van de ontvoering van Persephone tijdens het plukken van bloemen, wordt Gaia tweemaal opgeroepen, in beide gevallen als een bloemrijk oppervlak waarmee de aarde zich tot de hemel keert: ‘de rozen, de krokussen, de schitterende viooltjes in een tere weide en de irissen, hyacinten en narcissen, ontsproten als verlokking voor het bloemenmeisje door Gaia’… ‘en de aarde lachte stralend terug’. Maar het is op dat moment dat ‘chthon, vol uitgestrekte paden, zich opent (‘chane’) in de vlakte van Nysa en dat de heer van de vele gasten naar buiten komt (‘orousen’) rijdend op zijn kar getrokken door onsterfelijke paarden’. Dat het een beweging is van de diepte naar het oppervlak wordt onderstreept door het werkwoord ‘ornymi’, wat ‘opkomen, opstijgen’ betekent, alsof de god uit de chtonische diepte van de aarde tevoorschijn komt in Gaia, het oppervlak van de aarde dat naar de hemel kijkt. Later, wanneer het Persephone is die Demeter over haar ontvoering vertelt, wordt de beweging omgekeerd en in plaats daarvan gaat gaia (‘gaia d’enerthe koresen’) open, zodat ‘de heer die veel gasten ontvangt’ haar met zijn gouden wagen naar de diepte kan slepen (vs. 429-31). Het is alsof de aarde twee deuren of ingangen heeft: een die zich opent vanuit de diepten naar Gea, en een die van Gea naar de diepte van Chtonia leidt.

In werkelijkheid gaat het niet om twee deuren, maar om één deur, die geheel aan ‘chthon’ toebehoort. Het werkwoord dat in de hymne naar Gaia verwijst, is niet ‘chaino’, ‘wijd openen’, maar ‘choreo’, wat simpelweg ‘ruimte maken’ betekent. Gaia gaat niet open, maar maakt plaats om Persephone doorgang te verlenen; het hele idee van een poort tussen de bovenkant en de onderkant, van een diepte (‘profundus: altus et fundus’) is specifiek chtonisch en, zoals Aeneas door de Sibyl wordt herinnerd, is de deur van de stad Dis allereerst een doorgang naar de onderwereld (‘facilis descensus Averno…’). De Latijnse term die overeenkomt met ‘chthon’ is niet ‘tellus’, wat een horizontale verlenging aanduidt, maar ‘humus’, wat een neerwaartse richting impliceert (vergelijk ‘humare’: begraven), en het is veelbetekenend dat de naam voor de mens hieraan ontleend is (‘hominem appellari quia sit humo natus’). Dat de mens ‘mens’ is, dat wil zeggen aards, impliceert in de klassieke wereld niet een verband met Gaia, met het aardoppervlak dat naar de hemel kijkt, maar vooral een directe verbinding met de chtonische diepte.

Dat ‘chthon’ het idee van een opening en een passage oproept, blijkt duidelijk uit het bijvoeglijk naamwoord dat deze term in Homerus en Hesiodus voortdurend begeleidt: ‘eyryodeia’, dat alleen vertaald kan worden als ‘met brede wegen’ mits niet vergeten wordt dat ‘odos’ het idee impliceert van een doorvoer naar een bestemming, in dit geval de wereld van de doden, een reis die iedereen zal maken (het is mogelijk dat Vergilius, die ‘facilis descensus’ schreef, zich de Homerische formule herinnerde).

In Rome verbond een cirkelvormige opening, genaamd ‘mundus’, die volgens de legende door Romulus werd gegraven toen de stad werd gesticht, de wereld van de levenden met de chtonische wereld van de doden. De opening, afgesloten door een steen genaamd ‘manalis lapis’, werd drie keer per jaar geopend, en gedurende die dagen, waarin werd gezegd dat ‘mundus patet’, de wereld zich opende en ‘de occulte en verborgen dingen van de religie met de hand aan het licht werden gebracht en onthuld’, werden bijna alle openbare activiteiten opgeschort. In een voorbeeldig artikel toont Vendryes aan dat de oorspronkelijke betekenis van onze term ‘wereld’ niet, zoals altijd werd beweerd, een vertaling is van de Griekse ‘kosmos’, maar nu juist voortkomt uit een cirkelvormige deur die toegang verschaft tot de ‘wereld’ van de doden. De oude stad is gebouwd op de ‘wereld’ omdat de mens verblijft in een doorgang die de hemelse en ondergrondse aarde, de wereld van de levenden en die van de doden, het heden en het verleden, verenigt, en het is door de relatie tussen deze twee werelden dat het voor de mens mogelijk wordt om zijn handelen te sturen en inspiratie op te doen voor de toekomst.

Niet alleen door zijn benaming is de mens verbonden met de chtonische sfeer, maar ook doordat zijn wereld en de horizon van zijn bestaan ​​grenst aan de uithoeken van Ctonia. De mens is, in de letterlijke zin van het woord, een wezen van de diepte.

II.

Een chtonische cultuur bij uitstek is de Etruskische cultuur. Degene die door de verspreide dodensteden op het platteland van Tuscia loopt, merkt onmiddellijk dat de Etrusken Ctonia bewoonden en niet Gaia, niet alleen omdat voor hen alles wat te maken had met de doden steeds aanwezig was, maar ook en vooral omdat de locaties die ze kozen als verblijfplaats – om ze steden te noemen is misschien ongepast – zich duidelijk aan de oppervlakte van Gaia bevinden, en in werkelijkheid ‘epichthonioi’ zijn: huizen in de verticale diepten van ‘chthon’. Vandaar hun voorliefde voor grotten en inhammen die in steen zijn uitgehouwen, vandaar hun voorkeur voor hoge kloven en ravijnen, de steile wanden die in een rivier of een beek uitlopen. Iedereen die onverwacht bij Cava Buia bij Blera of in de straten ingebed in de rots bij San Giuliano is geweest, weet dat hij niet langer op het oppervlak van Gaia is, maar zeker ‘ad portam inferi’, in een van de doorgangen naar de hellingen van Ctonia.

Dit onmiskenbaar onderaardse karakter van Etruskische plaatsen, in vergelijking met andere districten van Italië, kan ook worden benoemd door te zeggen dat wat we zien niet echt een landschap is. Het vriendelijke, alledaagse landschap dat het oog kan bevatten en dat begrensd wordt door de horizon, is dat van Gaia: in de chtonische verticaliteit verdwijnt elk landschap, lost de horizon op, en maakt het plaats voor het brute en nooit geziene gezicht van de natuur. En hier, in de weerbarstige kanalen en spelonken, weten we niet wat we met het landschap aanmoeten, het land is vasthoudender en onbuigzamer dan een enorme landschappelijke pietà – bij de deur van Dis is god zo dichtbij en monstrueus dat er geen religie meer nodig is.

Het is vanwege deze onwankelbare chtonische toewijding dat de Etrusken met zoveel ijver de huizen van hun doden bouwden en bewaakten en niet, zoals men zou denken, andersom. Ze hielden niet meer van de dood dan van het leven, maar het leven was voor hen niet te scheiden van de diepten van Ctonia: ze konden de valleien van Gaia bewonen en het platteland cultiveren, maar slechts wanneer ze nooit hun ware, verticale herkomst zouden vergeten. Om deze reden hebben we in de graven die uitgehouwen zijn in de rotsen en in de heuvels niet alleen te maken met de doden, we stellen ons niet alleen de lichamen voor die op de lege sarcofagen liggen, maar we nemen de bewegingen, gebaren en verlangens waar van de levenden die ze hebben gebouwd. Dat het leven des te beminnelijker is, des te tederder is, door de herinnering aan Ctonia te koesteren, dat het mogelijk is een beschaving op te bouwen zonder ooit de sfeer van de doden uit te sluiten, dat er tussen het heden en het verleden en tussen de levenden en de doden een intense gemeenschap en ononderbroken continuïteit bestaat – dat is de erfenis die dit volk aan de mensheid heeft doorgegeven.

III.

In 1979 publiceerde James E. Lovelock, een Engelse chemicus die een actieve rol had vervuld in NASA-programma’s voor ruimteverkenning, ‘Gaia: a New Look at Life on Earth’. Centraal in het boek staat de hypothese, die hij vijf jaar eerder in een artikel samen met Lynn Margulis had geformuleerd in het tijdschrift ‘Tellus’, en die als volgt luidt: ‘het totaal aan levende organismen waaruit de biosfeer bestaat, kan als een enkele entiteit fungeren om de chemische samenstelling, de oppervlakkige pH en misschien ook het klimaat, te reguleren. We noemen deze Gaia-hypothese de conceptie van de biosfeer als een actief systeem van controle en aanpassing, dat in staat is de aarde in evenwicht te houden’. De keuze voor de term Gaia, die werd aangedragen door William Golding – een schrijver die meesterlijk de perverse aard van de mensheid had beschreven in de roman ‘Lord of the Flies’ – is zeker niet toevallig: zoals het artikel aangeeft, erkennen de auteurs de grenzen van het atmosferische leven en waren ze ‘slechts in beperkte mate geïnteresseerd in de wisselwerking met elementen in het binnenste van de aarde, niet onderhevig aan de invloed van oppervlakteprocessen’ (p. 4). Niet minder belangrijk is echter het feit dat de auteurs – althans op dat moment – niet lijken te overwegen dat de verwoesting en vervuiling van Gaia hun maximale niveau bereikten net toen de bewoners van Gaia besloten om de energie, die nodig is voor hun nieuwe en groeiende behoeften, aan de diepten van Chtonia te onttrekken, in de vorm van een fossiel residu van miljoenen levende wezens in het verre verleden dat we olie noemen.

Het moge duidelijk zijn dat de grenzen van de biosfeer niet dezelfde zijn als die van het aardoppervlak en de atmosfeer: de biosfeer kan niet bestaan ​​zonder de uitwisseling en ‘interferentie’ met de chtonische thanatosfeer. Gaia en Chtonia: de levenden en de doden moeten in een adem worden genoemd.

Wat er in de moderniteit is gebeurd, is dat de mens zijn relatie met de chtonische sfeer is vergeten en heeft opgegeven; hij woont niet langer in Chthon, maar alleen nog maar in Gaia. Maar hoe meer de sfeer van de dood uit het leven wordt verbannen, hoe meer het bestaan ​​onleefbaar wordt; hoe meer alle vertrouwdheid met de diepten van Chtonia is verdwenen – wanneer alles tot een object van uitbuiting wordt gereduceerd – hoe meer het beminnelijke oppervlak van Gaia geleidelijk wordt vergiftigd en vernietigd. Wat we vandaag zien, is het extreme gevolg van deze verwijdering van de dood: om het leven te redden van een vermeende, vage dreiging, doet de mens afstand van alles wat het de moeite waard maakt te leven. En uiteindelijk is Gaia, de aarde zonder diepte, die alle herinnering aan de ondergrondse verblijfplaats van de doden heeft verloren, nu volledig overgeleverd aan angst en dood. Van deze angst kunnen alleen degenen genezen, die de herinnering aan hun dubbele herkomst hervinden, degenen die zich herinneren dat het leven slechts humaan is als Gaia en Ctonia onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn.

28 december 2020
Giorgio Agamben

One thought on “Gaia en Ctonia”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *