Toespraak tot de Senaat op 7 oktober 2021

door Giorgio Agamben

vertaling van Intervento al Senato del 7 ottobre 2021 (1)
(24 oktober 2021)

Graag wil ik kort ingaan op twee punten waar ik de parlementsleden, die zullen moeten stemmen over de wetgeving ter vervanging van het decreet, op wil attenderen.

Het eerste is de evidente tegenstrijdigheid – ik onderstreep: evidente – in het onderhavige decreet. U weet dat de regering zich met een speciaal wetsdecreet, het zogenaamde ‘strafschild’ (2), nr. 44 van 2021, nu bij wet geregeld, heeft vrijgesteld van elke aansprakelijkheid voor schade die door vaccins wordt veroorzaakt. Hoe groot deze schade mogelijk is, blijkt uit het feit dat in artikel 3 van het decreet expliciet wordt verwezen naar de artikelen 589 en 590 van het wetboek van strafrecht, welke betrekking hebben op doodslag en het opzettelijk toebrengen van letsel.

Zoals gezaghebbende juristen hebben opgemerkt, voelt de staat niet de behoefte de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor een vaccin dat zich nog in de experimentele fase bevindt, maar wel om zijn burgers met alle middelen tot vaccinatie te dwingen, door te dreigen hen anders van het maatschappelijk leven uit te sluiten en hen nu zelfs, met het nieuwe decreet waarover u moet stemmen, te beroven van de mogelijkheid arbeid te verrichten.

Is er een op juridisch en moreel vlak abnormalere situatie denkbaar? Hoe kan de staat degenen die ervoor kiezen zich niet te laten vaccineren, beschuldigen van onverantwoordelijkheid, wanneer het dezelfde staat is die eerst formeel elke verantwoordelijkheid met betrekking tot de mogelijke ernstige gevolgen afwijst? – denk aan de vermelding van art. 589 en 590 van het Wetboek van Strafrecht aangaande het vaccin. Ik zou graag zien dat de parlementsleden nadenken over deze tegenstrijdigheid, die volgens mij werkelijk een juridisch gedrocht is.

Het tweede punt waarop ik u wil attenderen, betreft niet het medische probleem van het vaccin, maar het politieke vraagstuk van de Greenpass, wat niet met elkaar moet worden verward (wij zijn in het verleden wel vaker gevaccineerd, maar hoefden dan niet bij iedere verplaatsing een certificaat te overleggen). Er is door wetenschappers en artsen verklaard dat de Greenpass op zich geen enkele medische betekenis heeft, maar slechts tot doel heeft mensen tot vaccinatie te dwingen. Ik ben echter van mening dat ook het omgekeerde kan en moet worden gezegd, namelijk dat het vaccin mensen in feite dwingt een Greenpass te hebben, oftewel een middel waarmee hun bewegingen in ongekende mate kunnen worden gevolgd en getraceerd.

Politicologen weten al lang dat onze samenleving is veranderd van een, zoals men dat vroeger zei, ‘disciplinemaatschappij’ in een ‘controlemaatschappij’, gebaseerd op vrijwel onbeperkte digitale controle van individueel gedrag, dat aldus kwantificeerbaar wordt in algoritmes. Wij raken nu gewend aan deze controlemiddelen – maar in hoeverre zijn wij bereid deze controle te aanvaarden? Is het mogelijk dat de burgers van een maatschappij, die pretendeert democratisch te zijn, zich in een slechtere situatie bevinden dan de burgers van Stalin’s Sovjet-Unie? U weet dat Sovjetburgers een ‘propiska’ (3) moesten laten zien om van het ene land naar het andere te reizen, maar wij moeten iets dergelijks laten zien als wij naar de bioscoop of naar een restaurant willen gaan – en nu, nog ernstiger, als wij ons naar ons werk willen begeven. En hoe is het mogelijk te aanvaarden dat voor het eerst in de geschiedenis van Italië, na de fascistische wetten van 1938 met betrekking tot niet-Arische burgers, tweederangsburgers worden gecreëerd, die onderworpen zijn aan beperkingen die, vanuit een strikt juridisch standpunt – ik onderstreep: juridisch – in geen enkel opzicht onderdoen voor dat wat in die infame wetten was vastgelegd?

Alles wijst erop dat deze decreten, die elkaar opvolgen alsof zij door één persoon zijn uitgevaardigd, moeten worden aangemerkt als een proces van verandering van instituties en bestuursmodellen, dat des te verraderlijker is omdat het, zoals in het geval van het fascisme, wordt uitgevoerd zonder de tekst van de grondwet te wijzigen. Het model dat aldus geleidelijk wordt uitgehold en opgeheven is dat van de parlementaire democratieën, met hun grondwettelijke rechten en waarborgen, en daarvoor in de plaats komt een bestuursmodel waarin, in naam van de bioveiligheid en controle, de individuele vrijheden steeds meer aan banden worden gelegd.

De exclusieve focus op besmettingen en gezondheid verhindert ons zo de Grote Transformatie (4) waar te nemen die zich op politiek gebied voltrekt en belemmert ons er rekenschap van te nemen dat, zoals de regeringen zelf nooit moe worden ons te doen herinneren, veiligheid en noodtoestand geen voorbijgaande verschijnselen zijn, maar de nieuwe bestuursvorm uitmaken.

Met dit vooruitzicht is het meer dan ooit noodzakelijk dat de parlementsleden zeer goed nadenken over de voortschrijdende transformatie, die op termijn tot gevolg zal hebben dat de macht van het parlement wordt uitgehold en, zoals nu gebeurt, wordt beperkt, in naam van de bioveiligheid, tot het goedkeuren van decreten, afkomstig van organisaties en personen die weinig met het parlement van doen hebben.

(1) Deze tekst werd uitgesproken op 7 oktober 2021, en tweeëneenhalve week later, op 24 oktober, gepubliceerd op de site van Quodlibet. Klik hier voor de oorspronkelijke gesproken tekst.
(2) Met ‘strafschild’ wordt een regeling aangeduid die bestuurders in Italië kan vrijwaren van strafrechtelijke vervolging.
(3) Een ‘propiska’ was zowel een verblijfsvergunning als een reisdocument, zoals dat in het Russische Rijk vóór 1917 en in de Sovjet-Unie vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw werd gebruikt.
(4) Agamben refereert hier aan de ‘Great Reset’, een voorstel van het World Economic Forum (WEF) om, na de coronapandemie, de wereldeconomie opnieuw in te richten.

Een gemeenschap binnen de maatschappij

door Giorgio Agamben

vertaling van Una comunità nella società
(17 september 2021)

Italië, als politiek laboratorium van het Westen, waar de de heersende macht op voorhand zijn strategiën tot in het meest extreme uitwerkt, is thans een land dat zowel menselijk als politiek in verval is geraakt, waar een meedogenloze tirannie, die tot alles in staat is, zich heeft gelieerd aan een massa ten prooi gevallen aan pseudo-religieuze angst, een land waar men bereid is alles op te offeren, van grondwettelijke vrijheden tot de warmte in menselijke relaties aan toe. Te geloven dat de ‘greenpass’ een terugkeer naar de normaliteit betekent is dan ook domweg naïef. Net zoals nu reeds een derde vaccin wordt voorgeschreven, zullen er weer nieuwe worden voorgeschreven en zullen er nieuwe noodsituaties en rode zones worden afgekondigd net zolang de regering en de machthebbers dat nodig vinden. En de prijs hiervoor zal primair worden betaald door degenen die onnadenkend gehoorzaamd hebben.

In deze omstandigheden moeten de andersdenkenden, zonder af te zien van de verschillende mogelijkheden van verzet, zich bezinnen op het creëren van een soort maatschappij binnen de maatschappij, een gemeenschap van vrienden en naasten binnen de maatschappij van vijandschap en afstand. Hoe deze nieuwe ondergrondse beweging, die ver verwijderd dient te blijven van de gevestigde orde, vorm moet krijgen, daar zal keer op keer over moeten worden nagedacht en mee moeten worden geëxperimenteerd, maar alleen dan kan het menselijk overleven worden gegarandeerd in een wereld die zich heeft gewijd aan een min of meer bewuste zelfvernietiging.

17 september 2021
Giorgio Agamben

Twee namen

door Giorgio Agamben

vertaling van Due nomi
(28 augustus 2021)

Twee namen om te onthouden: Alessandro La Fortezza en Andrea Camperio Ciani. Twee professoren die bereid zijn hun positie in het onderwijs op te geven omdat zij de ‘green pass’ als een middel van sociale discriminatie niet aanvaarden. Hier enkele woorden die zij schreven: de een in een open brief aan zijn studenten, de ander in een ontslagbrief aan de rector van de universiteit waar hij doceert.

‘Beste jongens en meisjes, in juni hebben we afscheid genomen met een ‘tot ziens’, maar vandaag moet ik jullie vertellen dat we elkaar in september waarschijnlijk niet meer zullen zien op de universiteit […] Ik zal het vaccin nemen wanneer, en als ik ervan overtuigd ben dat dat de juiste beslissing is, maar zeker niet om naar een restaurant, een concert of waar dan ook te gaan. En ook niet om mijn baan te behouden. Laten we niet vergeten dat ‘de mens niet van brood alleen zal leven’ (Mattheus 4-4) […] Zelfs als ik morgen zou besluiten mij te laten vaccineren of als ik het nodig zou vinden een diagnostische test te ondergaan, zou ik de groene pas niet downloaden, opdat mijn individuele keuzes, wat die ook mogen zijn, geen reden mogen worden om degenen die andere keuzes maken, te discrimineren.’ (1)

‘Collega rector, (ik zal verder geen officiële titels gebruiken), ik, ondergetekende Andrea Camperio Ciani, gewoon hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Padua, nadat ik uit het rectorale decreet vernomen heb dat de ‘green pass’ verplicht is voor colleges, laat u, als ook de minister van de universiteit Maria Cristina Messa en de minister van volksgezondheid Roberto Speranza, officieel weten dat ik de eer en waardigheid aan mijzelf houd en u mijn ‘green pass’ teruggeef.’ (2)

Twee voorbeelden, die, als zij door andere professoren zouden worden gevolgd, de basis zou wegnemen onder het beruchte decreet van een regering die burgers die de ‘green pass’ weigeren als tweederangsburgers discrimineert, terwijl zij tegelijkertijd met een speciaal decreet (nr. 44/2021, nu in wet vastgelegd) wordt vrijgesteld van elke aansprakelijkheid in geval van overlijden of letsel veroorzaakt door vaccins. Het wordt tijd dat zowel professoren als studenten na twee jaar uitzonderingstoestand en na het schrappen van de meest elementaire vrijheden, het politieke geweten herontdekken dat uit de scholen en universiteiten verdwenen lijkt te zijn.

28 augustus 2021
Giorgio Agamben

1) De brief van Alessandro La Fortezza is hier te vinden
2) De brief van Andrea Camperio Ciani is hier te vinden

Mensen en lemmingen

door Giorgio Agamben

vertaling van Uomini e lemmings
(28 juli 2021)

Lemmingen zijn kleine knaagdieren, ongeveer 15 centimeter groot, die leven in de toendra’s van de noordelijke regionen van Europa en Azië. Deze diersoort heeft de eigenaardigheid om zonder duidelijke reden onverwacht collectief tochten te ondernemen die eindigen in een massale zelfmoord in zee. Het raadsel waar biologen zich door dit gedrag voor gesteld zagen, is zo uniek dat zij, na pogingen om verklaringen te geven die ontoereikend bleken, verkozen het fenomeen naast zich neer te leggen. Toch vroeg een van de meest lucide geesten van de 20e eeuw, Primo Levi, zich alsnog af wat het fenomeen inhield en gaf een overtuigende interpretatie.* Wij gaan ervan uit dat alle levende wezens willen blijven leven: bij de lemmingen is deze wil om de een of andere reden minder sterk en verwordt het instinct om te leven tot een instinct om te sterven.

Ik geloof dat op dit moment zich iets vergelijkbaars voordoet bij een ander soort levende wezens, de soort die wij ‘homo sapiens’ noemen. Collectieve zelfmoord vindt hier – zoals het een soort betaamt die het instinct door taal heeft vervangen, en de innerlijke fysieke kracht heeft verruild voor een reeks apparaten buiten het lichaam – op een kunstmatige en ingewikkelde manier plaats, hoewel het resultaat wellicht hetzelfde is. De mens kan niet bestaan zonder reden of rechtvaardiging voor zijn leven, wat altijd al resulteerde in godsdiensten, mythen, politieke overtuigingen, filosofieën en idealen van allerlei aard. Een dergelijke rechtvaardiging lijkt vandaag – tenminste onder het rijkste en meest vertechnologiseerde deel van de mensheid – te zijn weggevallen, waardoor mensen zich misschien voor het eerst gereduceerd zien tot een zuiver biologisch leven, iets wat zij niet lijken te kunnen aanvaarden. Alleen dit kan helpen verklaren waarom zij, in plaats van een eenvoudig, genadig samenleven te accepteren, het nodig hebben gevonden een meedogenloze gezondheidsterreur in te stellen, waarin het leven, verstoken van een meer ideale rechtvaardiging, continu wordt geteisterd en bedreigd door ziekte en dood.

En alleen dit kan verklaren waarom, hoewel degenen die de vaccins produceren hebben verklaard dat het niet mogelijk is de langetermijneffecten ervan te voorspellen omdat de voorgeschreven procedures niet konden worden nageleefd en de tests met betrekking tot genetische modificatie en kankerverwekkendheid pas in oktober 2022 zullen zijn voltooid, miljoenen mensen zijn onderworpen aan een massavaccinatie op een ongekende schaal. Het is heel goed mogelijk – hoewel op geen enkele manier zeker – dat het gedrag van de mens over enkele jaren zal lijken op dat van lemmingen en dat de menselijke soort in die zin tot uitsterven is gedoemd.

28 juli 2021
Giorgio Agamben

* Primo Levi – ‘Verso occidente’, Vizio di forma (Einaudi, 1971), pp. 19-34
Primo Levi beschrijft in dit korte verhaal de overeenkomsten tussen het suïcidale gedrag van lemmingen en de ‘Arunde’, een stam woonachtig in het Amazone gebied. Interessant in de context van het betoog van Giorgio Agamben zijn enkele opmerkingen van het personage Walter aan het begin van het verhaal: ‘Sommige mensen worden geboren zonder liefde voor het leven. Anderen kunnen haar verliezen, voor even of voor langere tijd, misschien zelfs voor de rest van hun leven. […] Groepen individuen, zelfs families, naties, tijdperken, kunnen haar verliezen. […] Dit weten we allemaal, en toch beschermt iets ons en houdt ons in stand en behoedt ons voor verwoesting. Wat is deze bescherming? […] Sommigen vinden genoegdoening in religie, sommigen in altruïsme, sommigen in stompzinnigheid, sommigen in ondeugd, sommigen slagen erin zichzelf ongestoord te vermaken. […] Eeuwenlang heeft de mensheid gekozen […] voor de weg van het kunstmatig overleven, en het lijkt me niet dat het resultaat nadelig is geweest. De mensheid staat al een tijdje met haar rug naar de natuur gekeerd; zij bestaat uit individuen en zet al haar inspanningen in voor het overleven van het individu, voor het verlengen van het leven en voor het overwinnen van dood en pijn.’ Een relevant artikel (in het Engels), geschreven door Philippe Theophanidis over de tekst van Primo Levi is hier te vinden.

Groene pas

door Giorgio Agamben

vertaling van Tessera verde
(19 juli 2021)

In een vorige tekst hebben wij gewezen op de onrechtmatige discriminatie van een klasse burgers, die van het normale sociale leven is uitgesloten, als gevolg van de invoering van de zogenaamde groene pas. Deze discriminatie is een inherent en ingecalculeerd gevolg, maar niet het hoofddoel van de invoering van de groene pas, welke niet zozeer gericht is op de uitgesloten groep burgers, alswel op dat deel van de bevolking dat ermee is uitgerust. Het uiteindelijke doel dat de regeringen nastreven is dan ook een nauwgezette en onvoorwaardelijke controle met betrekking tot de verplaatsing van burgers, vergelijkbaar met het binnenlandse paspoort dat iedereen bij zich moest dragen ten tijde van het Sovjet-regime om zich van de ene stad naar de andere te kunnen verplaatsen. In dit geval is de controle echter nog absoluter, omdat zij betrekking heeft op werkelijk iedere verplaatsing van de burger, die steeds zijn groene pas zal moeten tonen, ook als hij naar de bioscoop gaat, een concert bijwoont of in een restaurant plaatsneemt. Paradoxaal genoeg zal de niet-geregistreerde burger vrijer zijn dan degene met een groene pas, en het zou juist de massa van pas-dragende burgers moeten zijn die protesteert en in opstand komt, aangezien zij voortaan zal worden geteld, gevolgd en gecontroleerd in een mate die zelfs in de meest totalitaire regimes ongekend is. Het is veelbetekenend dat China heeft aangekondigd zijn volg- en toezichtsystemen ook na afloop van de pandemie te handhaven. Zoals duidelijk moge zijn draait het bij de groene pas niet om de gezondheid, maar om het controleren van de bevolking, en vroeg of laat zullen zelfs de mensen mét een pas dit in gaan zien, maar dat alles tegen een hoge prijs.

19 juli 2021
Giorgio Agamben

Tweederangs burgers

door Giorgio Agamben

vertaling van Cittadini di seconda classe (1)
(16 juli 2021)

Zoals altijd, wanneer een despotisch noodregime wordt geïnstalleerd en de grondwettelijke beginselen worden opgeschort, is het resultaat, gelijk de Joden ondervonden ten tijde van het fascisme, de discriminatie van een categorie mensen, die als vanzelf tweederangsburgers worden. Ziedaar het doel van de invoering van de zogenaamde ‘green pass’. Dat het hier gaat om discriminatie op grond van particuliere overtuigingen en niet van objectief vast te stellen wetenschappelijke feiten, blijkt daaruit dat in wetenschappelijke kringen nog steeds wordt gediscussieerd over de veiligheid en doeltreffendheid van vaccins, die, naar de mening van artsen en wetenschappers die niet kunnen worden genegeerd, overhaast en zonder voldoende onderzoek zijn geproduceerd.

Desondanks zullen degenen die bij hun eigen vrije en gefundeerde mening blijven en weigeren zich te laten vaccineren, worden uitgesloten van het sociale leven. Dat het vaccin op deze manier een soort politiek-religieus symbool wordt, bedoeld om burgers te discrimineren, blijkt uit de onverantwoordelijke uitspraak van een politicus, die over degenen die zich niet laten vaccineren zegt, zonder te beseffen dat hij fascistisch jargon gebruikt: ‘we zullen ze zuiveren met een “green pass”’ (2). De ‘groene pas’ maakt van degenen die ervan zijn verstoken, de dragers van een virtuele gele ster.

Dit is een feit waarvan de politieke ernst niet mag worden onderschat. Wat moet er worden van een land waar een gediscrimineerde klasse ontstaat? Hoe kan men bereid zijn samen te leven met zogenaamd tweederangs burgers? De drang om te discrimineren is zo oud als de maatschappij zelf, en bepaalde vormen van discriminatie waren ook al aanwezig in onze zogeheten democratische maatschappij; maar dat deze vorm van discriminatie daadwerkelijk in de wet wordt vastgelegd is een barbaarsheid die wij niet kunnen accepteren.

16 juli 2021
Giorgio Agamben

(1) Op 26 juli heeft Massimo Cacciari (filosoof, voormalig burgemeester van Venetië en o.a. librettist voor componist Luigi Nono) zich in vergelijkbare bewoordingen uitgelaten in een tekst die mede ondertekend is door Giorgio Agamben.

(2) Het citaat is afkomstig uit een gedeletete post van Emanuele Maria Lanfranchi, hoofd van de persdienst van het Presidium van de regio Lazio en woordvoerder van Nicola Zingaretti. Een screendump van het bewuste bericht is hier te vinden. Een vertaling van de post luidt: ‘Ongeveer 20% van de Italianen wil zich blijkbaar niet laten vaccineren. Er zijn 60,36 miljoen Italianen, 20% = ongeveer 12 miljoen. Praktisch de gehele bevolking van België. Dus nu 12 miljoen mensen vrijwillig niet zijn ingeënt, zal het virus blijven circuleren, terwijl nieuwe varianten ontstaan die zelfs degenen die wel zijn ingeënt in gevaar zullen brengen. Het is duidelijk toch? De ideale oplossing zou verplichte vaccinatie zijn, maar ik denk niet dat de regering daartoe geneigd is. Oké, dan geen verplichte vaccinatie. We zullen ze zuiveren met een ‘green pass’. Wil je die film zien die je zo leuk vindt in de bioscoop? Groene pas. Naar de bruiloft van je dochter waar je zo graag heen wil? Groene pas. Wil je een hotel boeken om te ontspannen aan zee? Groene pas. Wil je in een restaurant eten met vrienden die je in jaren niet hebt gezien? Groene pas. Het regent groene passen, overal, voor alles. Dus ofwel je laat je vaccineren ofwel je hebt geen sociaal leven en je kunt het virus niet overdragen. Zo breng je de anti-vaxxers tot zwijgen.’

Het gezicht en de dood

door Giorgio Agamben

vertaling van Il volto e la morte (1)
(3 mei 2021)

Het lijkt erop dat in de nieuwe wereldorde die onstaan is, er twee dingen, die ogenschijnlijk geen verband met elkaar hebben, voorbestemd zijn om volledig te verdwijnen: het gezicht en de dood. We zullen proberen te onderzoeken of ze op de een of andere manier met elkaar verbonden zijn en wat de betekenis is van hun verdwijning.

Dat het zien van het eigen gezicht en het gezicht van anderen een beslissende ervaring is voor de mens, was al bekend in de klassieke oudheid: ‘Wat gezicht wordt genoemd’, schrijft Cicero, ‘kan bij geen enkel dier bestaan ​​behalve bij de mens’ en de Grieken definieerden de slaaf, die geen meester over zichzelf is, ‘aproposon’, letterlijk ‘gezichtsloos’. Natuurlijk, alle levende wezens tonen zich aan elkaar en communiceren met elkaar, maar alleen de mens maakt van het gezicht de plaats van herkenning en waarheid, de mens is het dier dat zijn gezicht herkent in de spiegel en zichzelf spiegelt en herkent in het gezicht van de ander. Het gezicht is in die zin zowel ‘similitas’, gelijkenis, als ‘simultas’, het samenzijn van mensen. Een mens zonder gezicht is noodzakelijkerwijs alleen.

Daarom is het gezicht de plaats van de politiek. Als mensen alleen maar informatie zouden communiceren, uitsluitend onder verwijzing naar dingen, zou er nooit echt politiek zijn, maar alleen een uitwisseling van berichten. Maar aangezien mensen allereerst hun openheid naar elkaar communiceren, elkaar herkennen in een gezicht, is het gezicht de toestand van de politiek, waarin alles besloten ligt wat mensen zeggen en met elkaar uitwisselen.

Het gezicht is in die zin het ware centrum van de mens, het politieke element bij uitstek. Door elkaar in het gezicht te kijken, herkennen mensen elkaar en zijn ze gepassioneerd over elkaar, ze zien gelijkenis en diversiteit, afstand en nabijheid. Dat dieren geen politiek kennen, komt omdat dieren, die altijd al in de vrije natuur zijn, hun blootstelling niet tot een probleem maken, ze wonen gewoon in de natuur zonder erom te geven. Daarom zijn ze niet geïnteresseerd in spiegels, in het beeld als beeld. De mens daarentegen wil zichzelf herkennen en herkend worden, hij wil zich zijn eigen beeld eigen maken, hij zoekt daarin zijn eigen waarheid. Zo vormt hij de dierlijke omgeving om tot een wereld, tot een gebied van onophoudelijke politieke dialectiek.

Een land dat besluit van zijn eigen gezicht af te zien, dat besluit de gezichten van zijn burgers overal met maskers te bedekken, is dus een land dat elke politieke dimensie uit zichzelf heeft verbannen. In deze lege ruimte, op elk moment onderworpen aan grenzeloze controle, bewegen individuen zich geïsoleerd van elkaar, terwijl ze de onmiddellijke en sensitieve basis van hun gemeenschap hebben verloren, en alleen berichten kunnen uitwisselen gericht aan een naam zonder gezicht. En aangezien de mens een politiek dier is, betekent het verdwijnen van de politiek ook het verdwijnen van het leven: een pasgeboren kind dat het gezicht van zijn moeder niet kan zien, loopt het risico menselijke gevoelens niet te kunnen bevatten.

Niet minder belangrijk dan de relatie met het gezicht is voor mensen de relatie met de doden. De mens, het dier dat zichzelf herkent in zijn eigen gezicht, is ook het enige dier dat de doden vereert. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zelfs de doden een gezicht hebben en dat het opheffen van het gezicht hand in hand gaat met het verdwijnen van de dood. In Rome namen de doden deel aan de wereld van de levenden door hun ‘imago’, een beschilderd, wassen beeld dat elk gezin in het atrium van zijn huis bewaarde. De vrije mens werd met andere woorden zowel bepaald door zijn deelname aan het politieke leven van de stad als door zijn ‘ius imaginum’, het onvervreemdbare recht om het gezicht van zijn voorouders te koesteren en het publiekelijk tentoon te stellen tijdens gemeenschappelijke festiviteiten.

‘Na de begrafenis en de begrafenisrituelen’, schrijft Polybius, ‘werd het ‘imago’ van de dode man of vrouw in een houten reliekschrijn op de meest zichtbare plek van het huis geplaatst en dit beeld is een wassen gezicht dat in exacte gelijkenis is gemaakt, zowel in vorm als in kleur’. (2) Deze beelden waren niet alleen voorwerp van een private herinnering, maar waren ook het tastbare teken van de verwantschap en de relatie tussen de levenden en de doden, tussen heden en verleden die een integraal onderdeel waren van het leven in de stad. Daarom speelden ze zo’n belangrijke rol in het openbare leven, zozeer zelfs dat je kunt zeggen dat het recht op het afbeelden van de doden het laboratorium is waar het recht van de levenden werd gegrondvest. Dit ging zover dat degenen die een ernstig openbaar misdrijf hadden gepleegd, het recht op een beeltenis verloren. En de legende gaat dat toen Romulus Rome stichtte, hij een graf liet delven – genaamd mundus, ‘wereld’ – en dat hijzelf en elk van zijn metgezellen daarin een handvol aarde wierpen – aarde waaruit ze zelf voort waren gekomen. Dit graf werd drie keer per jaar geopend en er werd gezegd dat in die dagen de ‘handen aarde’, of de doden, de stad binnenkwamen en deelnamen aan het bestaan ​​van de levenden. De wereld is slechts een drempel door middel waarvan de levenden en de doden, het verleden en het heden, met elkaar communiceren.

We begrijpen dan ook waarom een ​​wereld zonder gezichten een wereld zonder doden zal zijn. Als de levenden hun gezicht verliezen, worden de doden slechts getallen, die, voor zover ze tot hun puur biologische leven worden teruggebracht, in eenzaamheid, zonder begrafenis, moeten sterven. En als het gezicht de plaats is waar we, voorafgaand aan welk gesprek dan ook, met onze medemensen communiceren, dan zijn zelfs de levenden, verstoken van hun relatie met het gezicht, onherstelbaar alleen, hoezeer ze ook proberen te communiceren met behulp van digitale middelen.

Het wereldwijde project dat regeringen proberen te dicteren, is daarom radicaal apolitiek. Het stelt voor om ieder werkelijk politiek element uit het menselijk bestaan ​​te verwijderen, om het te vervangen door een bestuurlijkheid die louter op algoritmische controle is gebaseerd. Het afschaffen van het gezicht, het laten verdwijnen van de doden, en het opleggen van sociale afstand, zijn de essentiële instrumenten van deze bestuurlijkheid, die volgens de overeengekomen verklaringen van de machthebbers, moeten worden gehandhaafd zelfs wanneer de gezondheidsterreur wordt versoepeld. Maar een samenleving zonder gezicht, zonder verleden, en zonder fysiek contact, is een samenleving van spoken, gedoemd tot een al dan niet snelle ondergang.

3 mei 2021
Giorgio Agamben

(1) Deze tekst is eerder verschenen in een Duitse vertaling in de ‘Neue Zürcher Zeitung’, op 30 april 2021
(2) Polybius – Historiën boek 6, fragment 53, 4-5

Het naakte leven en het vaccin

door Giorgio Agamben

vertaling van La nuda vita e il vaccino
(16 april 2021)

Meerdere keren heb ik in mijn vorige bijdragen het beeld van het naakte leven opgeroepen. In feite lijkt het mij dat de epidemie onomstotelijk aantoont dat de mensheid nergens meer in gelooft behalve in het naakte bestaan ​​dat tegen elke prijs als zodanig in stand moet worden gehouden. De christelijke religie met haar werken van liefde en barmhartigheid en met haar geloof, tot het martelaarschap aan toe, de politieke ideologie met haar onvoorwaardelijke solidariteit, zelfs vertrouwen in werk en geld lijken op de tweede plaats te komen zodra het naakte leven wordt bedreigd, zij het in de vorm van een risico waarvan de statistische betekenis vaag en opzettelijk onbepaald is.

Het is tijd om de betekenis en oorsprong van dit concept te verduidelijken. Hiervoor is het noodzakelijk te vermelden dat de mens niet iets is dat voor eens en altijd kan worden gedefinieerd. Het is eerder de plaats van een onophoudelijk geactualiseerde historische bepaling, die steeds weer de grens vastlegt die mens van dier scheidt, wat menselijk is in de mens en wat niet menselijk is, in hem en buiten hem. Toen Linnaeus zocht naar een specifieke eigenschap voor zijn classificaties op basis waarvan de mens van primaten was te onderscheiden, moest hij bekennen dat hij die niet kende en uiteindelijk naast de generieke benaming ‘homo’ alleen het oude filosofische gezegde plaatste: ‘nosce te ipsum’ – ‘ken u zelve’. Dit is de betekenis van de term ‘sapiens’ die Linnaeus zou toevoegen in de tiende editie van zijn ‘Systema naturae’*: de mens is het dier dat zichzelf als mens moet kennen om mens te zijn en daarom de mens moet onderscheiden – bepalen – van dat wat hij niet is.

Het middel aan de hand waarvan dit onderscheid historisch wordt gemaakt, kan een antropologisch mechanisme worden genoemd. Dit mechanisme functioneert door het dierenleven van de mens uit te sluiten en, door deze uitsluiting, de mens voort te brengen. Maar om dit mechanisme te laten functioneren, moet de uitsluiting ook een insluiting zijn, moet er tussen de twee polen – het dier en de mens – een verbinding zijn en een ontkoppeling die beide verdeelt en bij elkaar brengt. Deze verbinding is het naakte leven, dat wil zeggen, een leven dat niet echt dierlijk of echt menselijk is, maar waarin steeds opnieuw bepaald wordt wat menselijk en wat niet-menselijk is. Deze ontkoppeling, die noodzakelijkerwijs in de mens plaatsvindt en die het biologische van het sociale leven in hem scheidt, is abstract en fictief, maar dan zodanig abstract dat zij steeds weer werkelijkheid wordt door zich te belichamen in concreet en politiek specifiek historische figuren: de slaaf, de barbaar, en – in de klassieke oudheid – de ‘homo sacer’, die door iedereen gedood kan worden zonder dat er een misdaad wordt begaan; de ‘enfant-sauvage’, het wolf-kind of ‘homo alalus’ als de ontbrekende schakel tussen aap en mens tussen de Verlichting en de negentiende eeuw; de burger in de uitzonderingstoestand, de Jood in het concentratiekamp, de comateuze patiënt in de reanimatiekamer en het lichaam bestemd voor het doneren van organen in de twintigste eeuw.

Wat is het beeld van het naakte leven waar het vandaag de dag om draait bij het beheer van de pandemie? Het is niet zozeer de patiënt die wordt geïsoleerd en behandeld alsof er in de geschiedenis van de geneeskunde nog nooit iemand ziek is geweest; het is eerder de geïnfecteerde of – zoals gedefinieerd met een tegenstrijdige formulering – de asymptomatische patiënt, dat wil zeggen iets wat elk mens in principe is, ook al weet hij dat zelf niet. Het gaat niet zozeer om gezondheid, maar eerder om een ​​leven dat noch gezond noch ziek is, dat als zodanig, als potentieel pathogeen, van zijn vrijheden kan worden beroofd en aan allerlei verboden en controles kan worden onderworpen. Vrijwel alle mensen zijn in die zin asymptomatische patiënten. De enige identiteit van dit leven, dat fluctueert tussen ziekte en gezondheid, is dat je de ontvanger bent van wattenstaaf en vaccin, die, als het doopsel van een nieuwe religie, het omgekeerde beeld zijn van wat eens burgerschap werd genoemd. Het doopsel is niet langer voor altijd, maar noodzakelijkerwijs voorlopig en hernieuwbaar, omdat de nieuwe burger, die altijd een certificaat moet kunnen tonen, niet langer onvervreemdbare en onbeslisbare rechten heeft, maar alleen verplichtingen kent die onophoudelijk moeten worden bepaald en geactualiseerd.

16 april 2021
Giorgio Agamben

* Carl Linnaeus – ‘Systema naturae per regna tria naturae : secundum classes, ordines, genera, species, cum characteribus, differentiis, synonymis, locis’ (10e druk, Lars Salvi, Stockholm 1758)

Pas op Italië, voor Italië zelf

vertaling van Guardati Italia dalla stessa Italia
(16 maart 2021)

Pas op Italië, voor jouw eigen Italië *
pas op voor het kruis zonder Christus
pas op voor de hamer zonder sikkel

Pas op voor de buurman zonder gezicht
pas op voor de beul met het masker
pas op voor degene die je lijken verbrandt

Pas op voor de quarantaine zonder pest
en voor de pest zonder quarantaine
pas op voor degene die jou je dagen afpakt

Pas op voor de schedel zonder botten
pas op voor de botten zonder schedel
Pas op voor degene die je doden telt

Pas op Italië, voor de nieuwe sterke mannen
pas op voor degene die gehoorzaam zijn
Pas op Italië, voor Italië zelf

(naar César Vallejo)

* Agamben parafraseert hier een gedicht van César Vallejo, getiteld ‘Cuídate, España, de tu propia España’, gepubliceerd in de dichtbundel ‘España, aparta de mí este cáliz’, verschenen in 1939. (noot van de vertaler)

Een zware, ondoorzichtige en verstikkende sfeer…

vertaling van Un’atmosfera pesante, opaca e soffocante
(2 maart 2021)

‘Er is een zware, ondoorzichtige en verstikkende sfeer over het land neergedaald, de mensen zijn ongelukkig en ontevreden en toch zijn ze bereid om alles te ondergaan zonder protest of verwondering.

Dit is de karakteristieke situatie in tijden van tirannie. De algemene onvrede, die oppervlakkige waarnemers beschouwen als iets wat de macht kwetsbaar maakt, betekent eigenlijk precies het tegenovergestelde. Een matte en wijdverbreide onvrede is verenigbaar met een bijna onbeperkte onderwerping, decennia lang; wanneer, zoals tegenwoordig het geval is, een gevoel van rampspoed samenvalt met de afwezigheid van hoop, gehoorzamen mensen totdat een tegenbeweging van buitenaf hun hoop herstelt.’ (1)

(Simone Weil, 1940)

‘Het gevoel van veiligheid wordt zwaar aangetast. Dat is op zich niet erg; er kan geen veiligheid voor de mens op deze aarde zijn, en het gevoel van veiligheid is, tot op zekere hoogte, een gevaarlijke illusie die alles misvormt, iets waardoor geesten bekrompen, kortzichtig, oppervlakkig en idioot tevreden worden; we hebben het genoeg gezien tijdens de periode van zogenaamde welvaart, en we zien het nog steeds, hoewel in steeds mindere mate, in sommige sociale lagen van de bevolking die denken dat ze onaantastbaar zijn. Maar een totaal gebrek aan veiligheid, vooral wanneer de te vrezen catastrofes niet in verhouding staan ​​tot dat wat intelligentie, inspanning en moed er tegenin kan brengen, is evenmin bevorderlijk voor de gezondheid van de ziel. We hebben gezien dat een economische crisis in de verschillende grote landen een hele jonge generatie elke hoop ontneemt om ooit toe te treden tot de samenleving, om genoeg te verdienen om van te leven en een gezin te voeden. Er is een grote kans dat we binnen afzienbare tijd een nieuwe generatie in eenzelfde impasse zien belanden. We zagen, en we zien, dat de huidige productiemiddelen ervoor zorgen dat je al oud bent, en dat is dan oud zonder financiële ondersteuning, op de leeftijd van veertig jaar, als je onderdeel uitmaakt van bepaalde sociale lagen van de bevolking. De angst voor oorlog, voor een oorlog die alles kapot zal maken, is niet langer alleen een onderwerp van lezingen of pamfletten in de hoop dat die tot algemene bezorgdheid zullen leiden, maar steeds meer een alledaags onderwerp nu het leven van de burger overal in staat van militaire paraatheid wordt gebracht. De moderne communicatiemiddelen, de pers, radio, bioscoop, zij zijn vandaag krachtig genoeg om de zenuwen van een heel volk door elkaar te schudden. Zeker: het leven slaat van zich af, terug als het kan vallen op het instinct, op iets onbewusts; toch bepaalt de angst voor grote collectieve catastrofes, als in afwachting van een vloedgolf of een aardbeving, steeds meer hoe iedereen zijn persoonlijke toekomst ervaart.’ (2)

(Simone Weil, 1939)

(1) Simone Weil – fragment uit een brief aan haar broer André Weil, geciteerd in: Simone Pétrement – ‘La vie de Simone Weil’ (Éditions Fayard, Paris, 1973), p.509
(2) Simone Weil – ‘Écrits historiques et politiques II’ (Éditions Gallimard, Paris, 1960), p.63